Pro-life, gekwetst leven en het priesterschap onder het teken van het Kruis

Pro-life, gekwetst leven en het priesterschap onder het teken van het Kruis

Waarheid, barmhartigheid en weerhoudende liefde als kern van pastorale theologie


Pastoor Jack Geudens (priester en arbeidstherapeut)

Smakt, januari 2026


Abstract

Deze verhandeling onderzoekt de intrinsieke samenhang tussen pro-life als geloofsbelijdenis, de zorg voor het gekwetste leven en het priesterschap als sacramenteel merkteken van Gods barmhartige liefde. Tegen de achtergrond van het Tweede Vaticaans Concilie en het magisterium wordt betoogd dat deze drie dimensies geen afzonderlijke pastorale thema’s vormen, maar uitdrukking zijn van één fundamentele geestelijke houding: weerhoudende liefde onder het teken van het Kruis.

Vanuit een christelijk-personalistische antropologie wordt menselijke waardigheid ontologisch gefundeerd en begrepen als voorafgaand aan prestatie, keuze of functionaliteit. Deze mensvisie wordt verdiept door arbeidstherapeutische en psychosociale inzichten, in het bijzonder door de bevestigingsleer van Anna Terruwe en Conrad W. Baars, zoals toegepast in het eigen werk Relatie als instrument van genezing. Relatie verschijnt daarin niet louter als context, maar als actief instrument van genezing, waarin bevestigende en weerhoudende liefde samen werkzaam zijn.

Maria en Jozef worden theologisch uitgewerkt als normatieve relationele gestalten van ecclesiale onderscheiding: Maria als ontvangende en dragende gestalte van de Kerk tot onder het Kruis, Jozef als bewaker van het toevertrouwde leven zonder beheersing. In het licht van de Passionistische kruisspiritualiteit wordt het Kruis verstaan als het ultieme criterium van waarheid en barmhartigheid: God redt het leven niet door het te elimineren, maar door het te dragen.

De studie concludeert dat pro-life binnen de pastorale theologie niet kan worden gereduceerd tot een ethisch standpunt, maar moet worden verstaan als een constitutieve dimensie van genezende pastorale praxis. Het priesterschap verschijnt daarbij als relationeel-sacramentele dienst waarin het gekwetste leven niet alleen gedragen hoeft te worden, maar wordt opgenomen in een weg van waarheid, barmhartigheid en verrijzenishoop.

Trefwoorden: pastorale theologie; pro-life; gekwetst leven; priesterschap; weerhoudende liefde; relatie en genezing; Kruis; Maria en Jozef; menselijke waardigheid; Vaticanum II.


Abstract (English)

This treatise is situated within pastoral theology and examines the intrinsic coherence between pro-life as a confession of faith, pastoral care for wounded life, and the priesthood as a sacramental sign of God’s merciful love. Drawing on the Second Vatican Council and the contemporary magisterium, it argues that these dimensions are not separate pastoral themes but expressions of one fundamental spiritual attitude: restraining love (weerhoudende liefde) lived under the sign of the Cross.

Grounded in a Christian personalist anthropology, human dignity is understood ontologically—as prior to performance, choice, or functionality. This vision is deepened through occupational-therapeutic and psychosocial insights, particularly the affirmation theory of Anna Terruwe and Conrad W. Baars, as appropriated in the author’s work Relationship as an Instrument of Healing. Within this framework, relationship is not merely the context of care but an active instrument of healing in which affirming and restraining love operate together.

Mary and Joseph are theologically developed as normative relational figures for ecclesial discernment: Mary as the receptive and bearing figure of the Church who remains faithful unto the Cross, and Joseph as the guardian of entrusted life without domination. In the light of Passionist spirituality, the Cross is interpreted as the ultimate criterion of truth and mercy: God saves life not by eliminating it, but by bearing it.

The study concludes that, within pastoral theology, pro-life cannot be reduced to an ethical position but must be understood as a constitutive dimension of healing pastoral praxis. The priesthood thus emerges as a relational-sacramental ministry in which wounded life is not left to be borne alone, but is taken up into a path of truth, mercy, and hope in the Resurrection.

Keywords: pastoral theology; pro-life; wounded life; priesthood; restraining love; relationship and healing; Cross; Mary and Joseph; human dignity; Second Vatican Council.


Inleiding

Deze scriptie situeert zich expliciet binnen de pastorale theologie en onderzoekt hoe pro-life als geloofsbelijdenis, de zorg voor het gekwetste leven en het priesterschap als merkteken van Gods barmhartige liefde elkaar wederzijds verhelderen in de concrete pastorale praxis van de Kerk. Pastoraal-theologie wordt hier niet opgevat als een louter toegepaste discipline, maar als een reflectie op de wijze waarop de waarheid van het Evangelie gestalte krijgt in begeleidend handelen, onderscheiding en genezende aanwezigheid.

Vertrekpunt is de overtuiging dat deze drie dimensies geen afzonderlijke pastorale thema’s vormen, maar uitdrukking zijn van één geestelijke kern: het innerlijk gezag dat ontspringt aan gehoorzaamheid onder het teken van het Kruis. In een context waarin pro-life vaak wordt gereduceerd tot ethisch debat, het priesterschap tot functionele rol en pastorale zorg tot louter nabijheid zonder normatief kader, betoogt deze studie dat juist hun samenhang beslissend is voor een authentieke pastorale praktijk.

De methode is fundamenteel pastoraal-theologisch: zij vertrekt vanuit de geloofstraditie (Vaticanum II, magisterium), wordt hermeneutisch verdiept door de kruisspiritualiteit en wordt getoetst aan arbeidstherapeutische en psychosociale ervaringen in de pastorale praktijk. De centrale these luidt dat weerhoudende liefde — een liefde die bewaart zonder te beheersen — een sleutelcategorie vormt voor hedendaagse pastorale theologie (vooral in Amerika en Canada!).


Hoofdstuk I – Menselijke waardigheid als ontologisch gegeven

Het Tweede Vaticaans Concilie verankert menselijke waardigheid niet functioneel, maar ontologisch. In Gaudium et Spes wordt de mens begrepen als geschapen, gekend en geroepen door God, nog vóór enige prestatie of keuze.[^1] Deze fundamentele voorafgaandheid van waardigheid impliceert dat het leven zelf niet tot object van beschikking mag worden gemaakt.

Vanuit deze grondintuïtie wordt abortus expliciet benoemd als strijdig met de morele orde, niet uit juridisme, maar omdat waar het leven afhankelijk wordt van keuze, vrijheid omslaat in macht.[^2] Deze conciliaire antropologie vormt het fundament van een pro-life-houding die niet ideologisch, maar existentieel is.


Hoofdstuk II – Relatie als instrument van genezing binnen de pastorale theologie

1. Inleiding: van pastorale nabijheid naar relationele genezing

Binnen de pastorale theologie wordt nabijheid vaak genoemd als sleutelwoord. Toch volstaat nabijheid op zichzelf niet. Deze studie betoogt dat pastorale nabijheid pas werkelijk genezend wordt wanneer zij relationeel wordt doordacht en geleefd.^10 Hier biedt het werk Relatie als instrument van genezing van Pastoor Jack Geudens een wezenlijke verdieping. Relatie wordt daarin niet slechts opgevat als context van zorg, maar als actief instrument waardoor genezing kan plaatsvinden.^11

Deze benadering sluit aan bij een christelijk-personalistische antropologie waarin de mens niet alleen als individu, maar als relationeel wezen wordt verstaan.^12 De pastorale vraag verschuift daarmee van: “Wat moet er moreel gezegd worden?” naar: “Hoe kan de relatie zélf drager worden van waarheid, bevestiging en genezing?” Deze verschuiving is van fundamenteel belang voor een pastorale theologie die pro-life, zorg voor gekwetste levens en priesterschap integraal wil verbinden.

2. Antropologische grondslag: de mens als relationeel en bevestigingsbehoeftig wezen

 

De mens bezit een aangeboren behoefte aan liefde en bevestiging. Deze behoefte is geen zwakte, maar behoort tot de constitutieve structuur van het mens-zijn.^13 In de bevestigingsleer van Anna Terruwe en Conrad W. Baars wordt gesteld dat de mens slechts tot innerlijke volwassenheid kan komen wanneer hij zich existentieel bevestigd weet in zijn zijn.^14

Wanneer deze bevestiging ontbreekt, ontstaan vormen van innerlijke stagnatie die zich kunnen uiten in angst, schuldgevoelens, relationele verstoringen en morele verwarring.^15 Vanuit pastoraal-theologisch perspectief betekent dit dat morele breukmomenten — waaronder abortus — zelden los te zien zijn van relationele kwetsuren. De pastorale zorg kan zich daarom niet beperken tot normstelling, maar moet aandacht hebben voor het relationele tekort dat aan veel existentiële beslissingen voorafgaat.

3. Relatie als instrument: bevestigende en weerhoudende liefde

 

In Relatie als instrument van genezing wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van liefde.^16 Centraal staat de bevestigende liefde, die de ander helpt zich gekend en gewaardeerd te weten, en de weerhoudende liefde, die grenzen stelt ter bescherming van de persoon.^17

Bevestigende liefde zegt: “Het is goed dat jij er bent.” Weerhoudende liefde zegt: “Niet alles is goed voor jou.” In pastorale theologie zijn deze twee niet tegengesteld, maar complementair.^18 Zonder bevestiging wordt weerhouding hard; zonder weerhouding wordt bevestiging leeg. In deze dynamiek verschijnt relatie als genezend instrument: zij herstelt innerlijke orde door liefde en waarheid samen te laten werken.

4. Pastorale implicaties voor het gekwetste leven

 

Het gekwetste leven — gekenmerkt door schuld, schaamte, rouw en existentiële breuk — vraagt om relaties die dragen zonder te beheersen.^19 De pastorale praktijk laat zien dat mensen pas ontvankelijk worden voor waarheid wanneer zij zich veilig weten in een relatie.^20

Hier krijgt de eerder ontwikkelde notie van pro-life een verbreding: niet alleen het ongeboren leven vraagt bescherming, maar ook het innerlijk leven van wie gewond is geraakt.^21 Pastorale theologie die relationele genezing ernstig neemt, zal daarom investeren in langdurige begeleidende relaties, sacramentele beschikbaarheid en gemeenschapsvorming.^22

5. Maria en Jozef als relationele gestalten

 

Maria en Jozef belichamen relationele genezing op exemplarische wijze. Maria ontvangt en draagt leven zonder voorwaarden; Jozef beschermt en bewaakt zonder te beschikken.^23 Hun handelen is relationeel, niet instrumenteel. Zij tonen dat genezing begint bij trouw in relatie, niet bij controle.

Deze mariale en josefijnse houding vormt een normatieve spiegel voor pastorale relaties: ontvangen, bewaren, dragen en beschermen.^24 In deze zin functioneren zij niet slechts als vrome voorbeelden, maar als theologisch-pastorale criteria.

6. Het Kruis als ultieme relationele openbaring

 

Het Kruis van Christus is de plaats waar relatie en genezing hun diepste betekenis krijgen.^25 Christus draagt de mens niet op afstand, maar betreedt diens lijden. Het Kruis openbaart een God die relationeel aanwezig blijft, zelfs waar schuld en breuk realiteit zijn.^26

Binnen de Passionistische spiritualiteit wordt het Kruis verstaan als school van liefde.^27 Het leert dat ware genezing niet ontstaat door eliminatie van pijn, maar door het dragen ervan in liefde. Pastorale relaties die uit dit Kruis leven, worden plaatsen van hoop en verrijzenis.

7. Pastorale theologie en pro-life: een geïntegreerde benadering

 

Wanneer relatie als instrument van genezing wordt erkend, verschijnt pro-life in nieuw licht. Het is geen strijd tegen mensen, maar een keuze voor relationele trouw aan het leven.^28 Het beschermt leven door relaties te versterken waarin leven kan groeien.

Deze geïntegreerde benadering vraagt van priesters en pastorale werkers dat zij zichzelf verstaan als relationele bemiddelaars van Gods barmhartigheid.^29 Hun aanwezigheid, luisterhouding en trouw worden zo sacramentele tekenen van hoop.

8. Conclusie

 

Dit hoofdstuk heeft aangetoond dat relatie, wanneer zij wordt gedragen door bevestigende en weerhoudende liefde, een krachtig instrument van genezing vormt binnen de pastorale theologie.^30 Pro-life, zorg voor het gekwetste leven en priesterschap vinden hier hun gemeenschappelijke grond: een relationele spiritualiteit onder het teken van het Kruis.


Hoofdstuk III – Maria en Jozef als normatieve gestalten

 

In Lumen Gentium verschijnt Maria niet als devotionele toevoeging, maar als persoonlijke gestalte van de Kerk.[^4] Haar fiat is geen autonome zelfbeschikking, maar radicale ontvankelijkheid voor een leven dat haar wordt toevertrouwd. Zij bewaart dit leven tot onder het Kruis en wordt zo normatief voor ecclesiale onderscheiding.

Naast Maria staat Jozef als bewaker van het mysterie. Zijn handelen is niet gebaseerd op zekerheid of controle, maar op toevertrouwd-zijn.[^5] In hem verschijnt een vorm van verantwoordelijkheid die voorafgaat aan overzicht. Deze josefijnse houding vormt een tegenbeeld van een cultuur van maakbaarheid en conditionele aanvaarding.


Hoofdstuk IV – Het Kruis en de Passionistische spiritualiteit

 

De Passionistische spiritualiteit, zoals verwoord door Paulus van het Kruis, plaatst het Kruis in het centrum van waarheid en onderscheiding.[^6] Het Kruis openbaart dat God het leven niet redt door leven te vernietigen, maar door het lijden zelf te dragen.

Deze kruisspiritualiteit corrigeert zowel een harde moraal als een grenzeloze barmhartigheid. Het Kruis stelt een onopgeefbare grens: het leven van de ander mag nooit worden opgeofferd om het eigen lijden te vermijden. Tegelijk opent het Kruis de weg naar verrijzenis en genezing.


Hoofdstuk V – Pro-life en het gekwetste leven

 

In Evangelium Vitae wordt de crisis rond het menselijk leven geduid als een spirituele en antropologische crisis waarin vrijheid losraakt van waarheid.[^7] Abortus wordt benoemd als intrinsiek kwaad, niet om te veroordelen, maar om een fundamentele grens te bewaren.

Tegelijk spreekt Johannes Paulus II met grote pastorale bewogenheid tot wie betrokken was bij abortus en benadrukt hij dat Gods barmhartigheid geen grens kent.[^8]

Pro-life verschijnt hier niet als strijdpunt, maar als weg van genezing. Het gekwetste leven hoeft niet alleen gedragen te worden; het mag worden binnengebracht in een gemeenschap die waarheid en barmhartigheid samenhoudt.


Hoofdstuk VI – Het priesterschap als merkteken van barmhartige liefde

Het priesterschap is geen functionele rol, maar een sacramenteel merkteken van Gods barmhartige liefde.[^9] De priester vertegenwoordigt Christus niet door macht, maar door beschikbaarheid en offer. In deze zin is het priesterschap intrinsiek pro-life: het staat in dienst van het leven dat aan de Kerk is toevertrouwd, in al zijn kwetsbaarheid.

Het priesterlijk handelen vindt zijn norm niet in succes of beheersing, maar in trouw aan het Kruis. De priester is geroepen nabij te zijn bij het gekwetste leven, zonder waarheid te relativeren en zonder mensen te breken.


Conclusie

Vanuit pastoraal-theologisch perspectief tonen de voorafgaande hoofdstukken aan dat pro-life, zorg voor het gekwetste leven en het priesterschap geen afzonderlijke werkvelden zijn, maar elkaar doordringen als uitdrukking van één evangelische houding. Pastoraal handelen verliest zijn geloofwaardigheid wanneer het losraakt van de waarheid over de mens; waarheid verliest haar heilzame kracht wanneer zij niet barmhartig wordt gedragen.

De kerncategorie van deze studie — weerhoudende liefde onder het teken van het Kruis — biedt een vruchtbaar kader voor hedendaagse pastorale theologie. Zij maakt het mogelijk het leven te beschermen zonder te instrumentaliseren, mensen te begeleiden zonder te neutraliseren, en waarheid te verkondigen zonder te breken. In deze zin verschijnt pro-life niet als ethisch specialisme, maar als een constitutieve dimensie van pastorale zorg.

Het priesterschap wordt binnen deze benadering verstaan als sacramenteel merkteken van Gods barmhartige liefde: een teken dat zichtbaar maakt dat het gekwetste leven niet alleen gedragen hoeft te worden. De pastorale theologie die hieruit voortvloeit, is geen strategie, maar een spiritualiteit van aanwezigheid, onderscheiding en trouw.

Deze studie besluit daarom dat een pastoraal-theologische herbronning rond het Kruis noodzakelijk is om in een cultuur van maakbaarheid en kwetsbaarheid het Evangelie van het leven geloofwaardig te blijven verkondigen en belichamen.


Voetnoten

 

  1. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes (7 december 1965), nr. 12: AAS 58 (1966) 1032–1033.
  2. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nr. 16: AAS 58 (1966) 1037–1038.
  3. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nr. 27: AAS 58 (1966) 1047–1048.
  4. Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium (21 november 1964), nr. 58: AAS 57 (1965) 60–61.
  5. Johannes Paulus II, Apostolische Exhortatie Redemptoris Custos (15 augustus 1989), nr. 7–8: AAS 82 (1990) 9–11.
  6. Paulus van het Kruis, Lettere, ed. F. Giorgini (Roma: Curia Generalizia C.P., 1924), passim; vgl. idem, Il Diario Spirituale, ed. G. Zaccaria (Roma: C.P., 1955).
  7. Johannes Paulus II, Encycliek Evangelium Vitae (25 maart 1995), nr. 19–20: AAS 87 (1995) 418–420.
  8. Johannes Paulus II, Evangelium Vitae, nr. 99: AAS 87 (1995) 507–508.
  9. A. Ory, Le prêtre, signe de l’amour miséricordieux de Dieu (Paris: Desclée de Brouwer, 1958), 11–29.
  10. J.A. van der Ven, Practical Theology: An Empirical Approach (Kampen: Kok Pharos, 1998), 45–52.
  11. J. Geudens, Relatie als instrument van genezing (ongepubliceerde scriptie, Kerkrade, ca. 1999), hfst. 1–2.
  12. M. Buber, Ich und Du (Heidelberg: Lambert Schneider, 1958), 15–28.
  13. A. Terruwe, De bevestiging (Baarn: Ambo, 1976), 23–31.
  14. A. Terruwe & C.W. Baars, Psychic Wholeness and Healing (New York: Sheed & Ward, 1972), 64–89.
  15. C.W. Baars, Born Only Once: The Miracle of Affirmation (New York: Alba House, 1974), 101–118.
  16. J. Geudens, Relatie als instrument van genezing, hfst. 3.
  17. Ibid., hfst. 4.
  18. J. Pieper, Über die Liebe (München: Kösel, 1972), 57–66.
  19. J. Geudens, “Het gekwetste leven hoeft niet alleen gedragen te worden,” pastoraal artikel, 29 januari 2026, https://pastoorgeudens.com.
  20. H. Nouwen, The Wounded Healer (New York: Doubleday, 1972), 81–92.
  21. Johannes Paulus II, Evangelium Vitae, nr. 58–63.
  22. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nr. 27.
  23. Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, nr. 58.
  24. Johannes Paulus II, Redemptoris Custos, nr. 7–8.
  25. Paulus van het Kruis, Lettere, ed. F. Giorgini, passim.
  26. H.U. von Balthasar, Mysterium Paschale (Einsiedeln: Johannes Verlag, 1967), 45–72.
  27. Congregatie van de Passionisten, La spiritualità della Croce (Rome, 1980), 12–27.
  28. Johannes Paulus II, Evangelium Vitae, nr. 19–20.
  29. A. Ory, Le prêtre, signe de l’amour miséricordieux de Dieu, 33–47.
  30. Samenvattend: J. Geudens, Relatie als instrument van genezing, slotbeschouwing.

Bibliografie

Baars, Conrad W. Born Only Once: The Miracle of Affirmation. New York: Alba House, 1974.

Balthasar, Hans Urs von. Mysterium Paschale. Einsiedeln: Johannes Verlag, 1967.

Buber, Martin. Ich und Du. Heidelberg: Lambert Schneider, 1958.

Congregatie van de Passionisten. La spiritualità della Croce. Rome, 1980.

Geudens, Jack. Relatie als instrument van genezing. Ongepubliceerde scriptie. Kerkrade, 1999.

———. “Het gekwetste leven hoeft niet alleen gedragen te worden.” Pastoraal artikel, 29 januari 2026. https://pastoorgeudens.com.

Johannes Paulus II. Evangelium Vitae. Encycliek, 25 maart 1995. Acta Apostolicae Sedis 87 (1995).

———. Redemptoris Custos. Apostolische Exhortatie, 15 augustus 1989. Acta Apostolicae Sedis 82 (1990).

Nouwen, Henri J.M. The Wounded Healer. New York: Doubleday, 1972.

Ory, Armand. Le prêtre, signe de l’amour miséricordieux de Dieu. Paris: Desclée de Brouwer, 1958.

Paulus van het Kruis. Lettere. Ed. F. Giorgini. Roma: Curia Generalizia C.P., 1924.

———. Il Diario Spirituale. Ed. G. Zaccaria. Roma: C.P., 1955.

Pieper, Josef. Über die Liebe. München: Kösel, 1972.

Terruwe, Anna. De bevestiging. Baarn: Ambo, 1976.

Terruwe, Anna, en Conrad W. Baars. Psychic Wholeness and Healing. New York: Sheed & Ward, 1972.

Tweede Vaticaans Concilie. Gaudium et Spes. Pastorale Constitutie, 7 december 1965. Acta Apostolicae Sedis 58 (1966).

———. Lumen Gentium. Dogmatische Constitutie, 21 november 1964. Acta Apostolicae Sedis 57 (1965).Van der Ven, Johannes A.Practical Theology: An Empirical Approach. Kampen: Kok Ph

De priester in het gedrang

Armand Ory: ‘De priester in het gedrang’

424051

Gidsen en Herders gevraagd 

Iedereen weet dat in het vrije Westen een dreigend gebrek aan priesters bestaat. Menig pastoor is de laatste in zijn parochie. Binnen een tiental jaren zullen de meesten van hen niet meer fungeren, omdat ze dan te oud zullen zijn of reeds gestorven. En nieuwe kandidaten zijn uitermate schaars. De toestand is dramatisch. Normaal zou er een noodkreet moeten opstijgen: Priesters gevraagd! Asjeblieft! Dringend! Priesters gevraagd!

Sommige mensen lanceren een heel andere kreet, met weglating van het verlangen naar priesters. Hun noodkreet is: ’Gidsen en herders gevraagd’. Men voelt blijkbaar nood aan gidsen, die de juiste weg kunnen tonen; men voelt blijkbaar minder nood aan priesters.

De vele nieuwe ambten en diensten te midden van het Godsvolk laten vermoeden dat het priesterschap, zo niet afgeschreven, dan toch op het achterplan geraakt is in deze moderne tijd. Een gewezen seminarist, die onlangs de cursussen volgde in een opleidingscentrum en thans als jonge priester in de pastoraal werkzaam is, vertelt dat hij eigenlijk nooit duidelijk het profiel van de priester ontwaard heeft in zijn cursussen ter zake.

Stel u voor dat een student-geneeskunde of een student-ingenieur tijdens zijn opleiding moeite zou hebben om het profiel van geneesheer of ingenieur te ontwaren in zijn cursussen! Wat ondenkbaar is in deze profane opleiding, is soms werkelijkheid geworden in de priesteropleiding.

Waar nog het profiel van de priester ontwaren in het bos van ambten en diensten, van gidsen en herders? Normaal zou het profiel van de priester in een grootseminarie moeten stralen uit de cursussen zoals een lichtbaken schijnt voor matrozen op zee. Het zou de blikvanger bij uitstek moeten zijn, om veilig de haven binnen te varen.

Vele seminaristen hebben de indruk tijdens hun opleiding dat ze naar hun ideaal, het priesterschap, moeten zoeken als naar een verdoken rietstengel in een rietveld. Een onooglijk sprietje tussen duizenden andere stengels. Waarom is het ideaal van het priesterschap zo diep in de verdrukking geraakt? Heeft dit te maken met sociologie of met theologie, en zo ja, met wat soort van theologie? Is het priesterbeeld door een sociologische context te herijken?

Een gulden middenweg 

Iedereen wil een gulden middenweg bewandelen. Ook op dit gebied wordt de stelling gehuldigd: ‘Grondovertuiging is dat niet alleen een clericale maar ook een priesterloze kerk een scheefgetrokken kerkbeeld is.‘

Dat een priesterloze Kerk binnen de catholica een scheefgetrokken situatie voorstelt, weet iedereen. Heeft het evenwel nog zin te spreken over een ‘clericale Kerk’ in dit tijdsbestand, nu de vooruitzichten op die priesterloze toestand verre van utopisch zijn?

Wat wordt bedoeld met een ’clericale Kerk’? Een Kerk waarin de clerus de perken te buiten gaat; te veel machtsvertoon aan de dag legt; te zeer haar wil opdringt aan anderen?

Vijftien jaar geleden stonden velen nog als priester in het onderwijs met een haast uitsluitend profane leeropdracht: Latijn, Grieks, Frans, wiskunde, geschiedenis. Behoorden dergelijke priesterleraars toen en ook nu nog tot een ’clericale Kerk’, omdat zij als priester profane vakken onderwezen in een katholieke school?

Of is een clericale Kerk, een kerk waar een ’priester’ hoofd is van de eredienst? Heet men voortaan een parochie met inwonende priester een clericale parochie? En trekt dat inwonen de situatie scheef, in de ogen van sommigen die het wegvallen van de priester toejuichen?

Bestaat in Polen, bestaat in Joegoslavië een scheve situatie omdat de seminaries er proppensvol zijn? Werkt het groot aantal roepingen de ‘clericale Kerk’ soms in de hand? Aansluitend bij de jongste Synode over de opleiding van de priesterkandidaten stonden bisschoppen uit het Westen verbaasd, toen bisschoppen uit het Oostblok vertelden dat zij er zoveel roepingen hadden.

Bij deze confrontatie kregen bisschoppen uit het Westen ’medelijden’ met die bisschoppen uit het Oostblok, omdat zij niet voldoende professoren en gebouwen hadden voor hun kandidaten. Zij stelden onmiddelijk voor hun professoren te sturen naar de seminaristen achter het IJzeren Gordijn. Hadden zij niet beter enkele priesters van daar naar hier uitgenodigd als missionarissen in onze ontkerstende landen?

Of zou het kunnen dat er juist zoveel roepingen zijn in het Oostblok, omdat zij er dat soort professoren missen, die in het Westen Kerk en Evangelie, paus en priesterschap in twijfel trekken? Vormen rijkgevulde seminaries wel een scheefgetrokken Kerk, omdat er dan ‘priesters’ benoemd kunnen worden op alle belangrijke posten in de Kerk? Of zijn vele en goede roepingen het bewijs van een oergezonde Kerk?

Moest men tussen een Kerk zonder priester en een Kerk met overvloedige roepingen een gulden middenweg zoeken, waarbij de priester schaars geworden is en vele kansen geboden worden aan gidsen en herders van allerlei slag? Is dat wel degelijk een voorbeeld van gulden middenweg? Of is dat veeleer een symptoom van geestelijke teloorgang?

Thans zijn de rollen omgekeerd. Vroeger moesten priesters vaak profane vakken doceren; thans worden godsdienstlessen meestal door leken gegeven, waarvan niet altijd gevergd wordt dat ze ‘gelovig’ zijn. In sommige kringen volstaat het dat een godsdienstleraar ‘neutraal’ informatie doorspeelt over een of andere godsdienst, zoals een priesterleraar ook neutraal informatie kan overbrengen aan zijn leerlingen over Griekse mythologie. Ook worden lekentheologanten opgeleid om stap na stap zoveel mogelijk openstaande functies in het kerkelijk leven in te palmen.

Wat beogen mensen die zo’n kerkpolitiek voeren? De opbloei of de afschaffing van het Christendom? Beide zijn mogelijk.

Sommige priesters krijgen de indruk liefst zo snel mogelijk te moeten verdwijnen. Sommige erfgenamen van mijnheer pastoor kijken deze laatste de deur uit. Velen gaan akkoord met de volgende keuze: ’Parochies zonder ter plaatse wonende pastoor. Welke uitdaging en welke kansen brengt dit met zich mee?’

Dat sommige bisschoppen en gelovigen desondanks het wegvallen van de priester als de ’ramp der rampen’ beleven, lijken zij niet te beseffen. Breng honderd, breng duizend gidsen en herders bijeen, zij zijn niet in staat één H. Mis op te dragen. En dat is veruit het voornaamste wat onze gelovigen nodig hebben.

Jezus heeft geen nieuwe godsdienst gesticht!

Wie argwanend staat tegenover het priesterschap, houdt er ook vaak bizarre ideeën op na over Jezus. Zo schrijft een gekend theoloog: “Jezus wil geen nieuwe godsdienst stichten. Hij heeft niet de bedoeling een apart Godsvolk of een nieuwe religieuze groepering naast Israël op te richten. Hij wil integendeel heel Israël werven voor deze beslissende heilsdoorbraak”. 

In deze bewering zijn uiteraard betrouwbare en niet-betrouwbare elementen versmolten. Waar is, dat Jezus heel Israël heeft willen werven voor zijn beslissende heilsdoorbraak. Toch heeft Hij een totaal nieuwe godsdienst gebracht. Waarom zouden de wetgetrouwe joden anders zijn dood geëist hebben? Joden weigerden een mens als God te aanbidden, zelfs indien deze mens keizer van Rome was. Toch aanbaden joodse volgelingen van Jezus – onder meer de twaalf apostelen – de mens Jezus als God.

Het Christendom belijdt trouwens deze godheid van Jezus als een van de hoofdpunten van zijn openbaring. Treedt het Christendom hierdoor alleen reeds niet aan als een gloednieuwe godsdienst? Het Jodendom aanbidt geen Godmens; het Christendom wel. Of mag men achterste voor redeneren. Wie niet meer aanvaardt dat Jezus een nieuwe godsdienst heeft gesticht, twijfelt misschien ernstig aan zijn godheid?

Deze godheid was wel degelijk geopenbaard door Jezus. Het is geen hoedje dat zijn volgelingen Hem op het hoofd hebben gezet. Als sommige moderne theologen dat toch beweren, verkondigen zij dan een nieuwe waarheid, of een oude dwaalleer?

Laatste Avondmaal zonder priesterwijding?

In dezelfde lijn wordt hier en daar verkondigd: “Zo is het een duidelijk anachronisme te zeggen dat Jezus op het Laatste Avondmaal zijn eerste priesters heeft gewijd.”

Wat bedoelt men met deze uitspraak? Anachronisme betekent iets uit een latere tijd plaatsen in een vroegere tijd of vice versa. Iets wat niet past bij een bepaalde tijd. Zo beweren sommigen dat de priestertoga een ’anachronisme’ is in onze tijd, een overblijfsel uit het verleden, hier of daar nog gehandhaafd door iemand die de evolutie gemist heeft. Een attribuut voor Bokrijk.

Betekent deze bewering wellicht dat het priesterschap niet door Jezus is ingesteld, maar een uitvinding is van latere datum en onterecht overgeheveld werd naar het Laatste Avondmaal?

Of is de auteur belust op spitsvondigheden als hij beweert dat Jezus geen priesters heeft gewijd op dat moment? Om priesters te wijden draagt een bisschop steeds een kazuifel. Jezus heeft geen kazuifel gedragen, noch bij de wijding van de apostelen tot priester, noch bij het opdragen van zijn eigen offer op Calvarië.

Volstaat dit ontbreken van een kazuifel evenwel om te zeggen dat het een duidelijk anachronisme is te zeggen dat Jezus op het Laatste Avondmaal zijn eerste priesters heeft ‘gewijd’?

Of wat moest Jezus nog meer doen dan zeggen aan zijn apostelen: ‘Doet dit tot mijn gedachtenis’, om vissers om te vormen tot priesters? Toch worden dergelijke ideeën doorgespeeld aan sommige priesterkandidaten.

Als Jezus geen nieuwe godsdienst gesticht zou hebben, is het ook wel logisch dat Hij geen priesters voor die godsdienst heeft ‘gewijd’. Als Hij wel een nieuwe godsdienst heeft willen stichten, is het even logisch dat Hij gezorgd heeft voor priesters in die nieuwe godsdienst met als gloednieuwe taak: ‘Doet dit tot mijn gedachtenis’. Hierdoor is de priester van het N.T. totaal verschillend van de priester van het O.T.‚ omdat Jezus’ nieuwe godsdienst, het Christendom, ook grondig verschilt van het Jodendom.

Een ecclesiologische kernvraag

Het begrip ’hiërarchie’ is bij velen tegenwoordig in discrediet geraakt. Priester Poppe had zijn spiritualiteit destijds nog opgebouwd, naast Eucharistie en Mariadevotie, op het grote belang dat hij hechte aan de hiërarchie, te weten paus, bisschop, priester.

Tegenwoordig zijn velen allergisch geworden van het begrip ’hiërarchie‘, omdat men het niet meer christelijk, maar veeleer marxistisch invult.

Een Franse ecclesioloog schrijft: “Al te lang is deze articulatie (van verantwoordelijkheid) gedacht volgens het schema clerus-leken. Mede onder druk van de heersende maatschappijmodellen heeft deze tweedeling zich in de geschiedenis verhard tot een strakke opdeling tussen bestuurders en onderdanen, leraars en luisteraars, celebranten en passieve participanten. Dit model was misschien aangepast aan de vroegere agrarisch-hiërarchische maatschappij. Maar het functioneert niet meer in onze verstedelijkte en hoog-technische wereld met zijn veralgemeend onderwijs en zijn functionele relaties. Dit model kon ook niet op een bevredigende manier de verantwoordelijkheid binnen de gelovige gemeenschap articuleren. De priesters werden overgewaardeerd en losgehaakt van de gemeenschap. Met een eigen macht bekleed konden zij als het ware op zichzelf priester zijn. Deze ’autonomisering’ van de clerus had als keerzijde een ’religieuze diskwalificering’ van de overige gelovigen. Zij konden niet echt participeren in het creatieve zoeken rond geloofsverwoording en liturgische gestaltegeving, in de opbouw van de gemeenschap en de liturgische gestaltegeving.” 

Wellicht is de huidige malaise rond de priester in de Kerk te begrijpen vanuit deze omschrijving. Het komt er op neer dat voorheen de priester over- en de gelovige onder-gewaardeerd werd. Wellicht waren er in de ogen van de auteur toen te veel priesters die te veel te zeggen hadden en breekt nu in zijn ogen de tijd aan waarin de priester in aantal en in invloed drastisch afslankt en de gelovige aangroeit in participatie.

Of deze visie christelijk of onchristelijk is valt te onderzoeken. De auteur geeft blijk geen jota begrepen te hebben van wat een katholieke Kerk is en haar bedienaar de priester. Hij beoordeelt de Kerk als een van de honderden maatschappijen. Volgens de marxistische maatschappij-analyse deelt hij de kerkleden op in heersers en onderdrukten: bestuurders, leraars en celebranten enerzijds, onderdanen, luisteraars en participanten anderzijds.

Deze opdeling is in zijn ogen verkeerd en houdt een scheefgetrokken kerkbeeld in stand. Hij gaat er alleszins tegen aan. Vroeger paste dat, volgens de auteur, wellicht in een agrarisch-hiërarchische maatschappij, thans functioneert dat niet meer in een verstedelijkte wereld.

De clerus was autonoom, hij had het voor het zeggen, de overige gelovigen konden niet echt deelnemen in het creatieve zoeken rond geloofsverwoording, liturgie, opbouw van de gemeenschap en dienst aan de wereld, zo beweert hij.

Het zou natuurlijk ook kunnen dat het aangevochten kerkbeeld wel het juiste kerkbeeld was en is, en dat het aangeprate kerkbeeld totaal scheefgetrokken is. Dit is de uitdaging die ons voorgelegd wordt. Dat moet onderzocht worden.

In het ene geval juicht men, in het andere geval treurt men als de priester op onze dagen verdwijnt of althans afslankt. Biedt het wegvallen van de priester in onze parochies reuzekansen voor leken, of luidt dat de teloorgang van Kerk en Christendom in?

In deze context is er sprake van een agrarische-hiërarchische maatschappij. Wil dit zeggen dat de hiërarchie van de Kerk (paus, bisschop, priester) voorbijgestreefd is, nu iedereen onderwijs genoten heeft?

De Kerk een eigen maatschappij

Hoofdfout in deze redenering is de vergetelheid dat de Kerk een maatschappij ’sui generis’ is. Als maatschappij heeft de Kerk een totaal eigen structuur en dat is te verklaren vanuit haar goddelijke oorsprong.

Zij is in het leven geroepen door Jezus Christus, die ons een totaal nieuwe waarheid geopenbaard heeft. Alle geloofsmysteries overstijgen het menselijk vernuft. In het Evangelie staat deze openbaring opgetekend.

De hiërarchie, van paus tot priester, staat rechtstreeks in dienst van deze openbaring, om ze integraal en onvervalst door te spelen aan de gelovigen. Dit heeft niets te maken met klassenstrijd of standenverschil.

Heeft Jezus niet gezegd: ’Gaat en onderwijst alle volkeren.’ Impliceert dit niet dat de gemandateerden trouw voortverkondigen aan de gelovigen wat Jezus geopenbaard heeft en de Kerk voorhoudt te geloven? Natuurlijk zijn er dan leraars en luisteraars, celebranten en participanten. Zelfs een hoogleraar aan een universiteit, die heel de dag door doceert, is in wezen luisteraar tegenover het leergezag van de Kerk, behartigd door de hiërarchie. Niet omdat de leden van de hiërarchie slimmer zouden zijn dan hoogleraars, maar omdat zij een wijsheid doorspelen, die hun door Jezus geopenbaard werd.

In deze context heeft de gelovige niet het recht creatief te zoeken of Jozef toch de natuurlijke vader van Jezus kan zijn, niet het recht te loochenen dat Maria lichamelijk maagd is, en niet het recht te loochenen dat Jezus God is. De geloofsverwoording hoort finaal niet thuis bij de man in de straat, maar bij het officieel leergezag van de Kerk. Waarom? Deze hiërarchie heeft als taak trouw de openbaring van Jezus te handhaven; gelovigen aan de basis zijn er tegenwoordig vaak op uit eigen waarden en waarheden, die opgang maken in een bepaalde tijd en in een bepaald land, als geloofsinhoud te nemen.

De teksten van canon en consecratie mogen bv. niet ‘creatief’ samengeknutseld worden in een of ander liturgisch atelier. Als de gelovigen hier hun eigen gang gaan en formules bedenken die indruisen tegen de gegevens van de hiërarchie, trekken zij de Kerk scheef. En niet andersom. Door de auteur wordt min of meer gesuggereerd dat de Kerk scheef staat, als de priester zijn liturgische voorschriften onderhoudt in trouw aan de hiërarchie, en dat ze recht staat als iedereen creatief zijn eigen liturgie zou bedenken.

Hierdoor zou het mysterie van de werkelijke aanwezigheid in de H. Hostie het eerste punt zijn dat kwijtgespeeld wordt. Dit is het centrale punt van het laatste Avondmaal, tijdens hetwelke Jezus gevraagd heeft: ‘Doe dit tot mijn gedachtenis.‘

Een mens kan met zijn verstand niet begrijpen hoe een stukje brood werkelijk het Lichaam van Christus kan worden, hoe een slokje wijn werkelijk het H. Bloed van Christus kan worden. Om dat mysterie te omzeilen proberen heel wat liturgische ateliers nieuwe formules te bedenken, waarin dat grondmysterie naar menselijke maat vertaald wordt.

De priester, als trouw lid van de hiërarchie, staat deze knutselaars in de weg, omdat ze dan hun eigen bedenksels niet aan de man kunnen brengen. Het rechte kerkbeeld wordt door sommige voorgangers en -gangsters scheef genoemd. Vandaar een aanval op de hiërarchie in het algemeen en op de priester in het bijzonder. Voorlopig hem natuurlijk nog niet afschaften. De priester kan alleen vervangen worden door de priester, schrijft de auteur, maar als hij niet vervangen wordt grijpen wij de kans van ons leven.

Jezus was een leek

Wie over het priesterschap nadenkt, komt uiteindelijk terecht bij Jezus, aan wie elke priester zijn wijding ontleent. De auteur blaast warm en koud over het priesterschap van Jezus. Citaat: Jezus behoorde niet tot de priesterklasse. Hij was zo je de term al kunt gebruiken, een leek”.

Deze formule is vatbaar voor kritiek. Dat Jezus niet thuishoorde in de Joodse priesterklasse, zoals Zacharias, de vader van Johannes de Doper, is juist. Als daaruit afgeleid wordt dat Jezus een ‘leek’ was, wil dit zeggen dat Jezus ook geen priester genoemd mag worden van het N.T. want leek wordt bij ons gebruikt als tegenhanger van priester.

Misschien zou een juistere formule zijn: Jezus behoorde niet tot de Joodse priesterklasse, maar Hij was de eerste hogepriester van het Nieuwe Verbond en als dusdanig was Hij geen leek.

Men kan moeilijk onwetend zijn over de Hebreeënbrief, die Jezus de enige, echte ’hogepriester’ noemt. Waarom Jezus dan tussendoor een ‘leek’ noemen, dat bij ons betekent ’geen priester’?

Wie een aanval beraamt op het priesterschap doet er natuurlijk goed aan de oorsprong van het priesterschap bij Jezus in vraag te stellen, of daaromtrent verwarring te zaaien.

Jezus’ kruisdood wordt meteen in het gedrang gebracht. Wie het offerkarakter van de H. Mis wil aanranden, doet er best aan dit reeds in de kiem te smoren, nl. bij Jezus’ eigen kruisdood. Velen hebben tegenwoordig moeite met Jezus’ kruisdood, als zijnde meer dan een fiasco, nl. als bewerker van de verzoening van het zondige mensdom met God. Hier en daar leest men bij een theoloog het volgende: “Zijn kruisdood is geen ritueel sacrificie maar de uiterste en brutale consequentie van zijn godsdienstig leven dat zich vertaalde in radicale mensendienst. Dat kruis was ook geen zoenoffer om een vertoornde godheid te bedaren.” 

Dit kan ’listig proza’ genoemd worden. Tegen de leer van de Traditie in worden woorden als ’sacrificie’ en ’zoenoffer’ ontkend, maar op een listig aanvaardbare wijze. Sommigen beweren zo ook dat in bepaalde gevallen ’officiële’ bedevaarten verboden zijn, wat juist is, om hierdoor de idee te verspreiden dat ’bedevaarten’ zonder meer verboden zijn, wat onjuist is. Zo wordt nu beweerd dat Jezus’ kruisdood geen ’ritueel’ sacrificie is, wat waar is, om stiekem te leren dat het geen ’sacrificie’ zonder meer is, wat verkeerd is.

Het ’sacrificie’ van Jezus op het kruis is inderdaad geen ‘ritueel’ offer; anders moest Jezus de gepaste gewaden hebben aangetrokken, die een priester draagt tijdens de rituele plechtigheden. Jezus was daarentegen zelfs van zijn gewone klederen beroofd.

Het gevaar is evenwel niet denkbeeldig dat menig lezer elk offerkarakter van Jezus‘ kruisdood leert loochenen, na gelezen te hebben dat het geen ‘ritueel’ sacrificie is.

De auteur gokt daarbij verkeerd omtrent de doodsoorzaak bij Jezus‘ terechtstelling, als hij beweert dat deze te verklaren is door zijn radicale ‘mensendienst‘. Dit is ‘larie’ die wel vaker als theologie op de merkt wordt gebracht.

In verband met het begrip ‘zoenoffer’ blaast hij koud en warm tegelijk. Misschien is het geen zoenoffer om een ’vertoornde godheid te bedaren’, zoals in de heidense religies, maar het zou verkeerd zijn daaruit af te leiden dat Jezus’ kruisdood geen ‘zoenoffer’ is zonder meer. En dit wordt blijkbaar gesuggereerd. Veiligheidshalve komt Sint Paulus toch ook ter sprake waarin de ’verzoening’ dan weer wel aan bod komt: ‘God was het die in Christus de wereld met zich verzoende’ (2 Kor. 5,19).

Waarom ja en neen schrijven op éénzelfde bladzijde? Dan is de auteur in staat zich wit te wassen als hij aangevallen wordt voor heterodoxie, en kan hij toch zijn eigen visie verkondigen, in de overtuiging dat het kwaad sterker is dan het goede, de leugen rapper is dan de waarheid.

Aan de hand van de Boodschap

Beëindigen wij deze benadering van de huidige aanval op het begrip priester met een citaat uit de Boodschap van Jezus’ barmhartige Liefde: “Vraag mijn priesters, dat ze mijn volk herbronnen in de Liefde en de Waarheid. De priester draagt het merkteken van zijn God, het is onuitwisbaar en als zodanig heeft hij recht op de diepste eerbied vanwege al mijn kinderen. De dwaling en de ontrouw van sommige leden van de Heilige Kerk kan het Stempel niet uitwissen waarmee de Heer hun ziel gemerkt heeft. Bidt met grote naastenliefde voor uw priesters die blootstaan aan verschrikkelijke bekoringen. Mijn kleine zielen, stelt uw trouw en uw liefde tegenover de machten van het kwaad die de wereld beheersen met hun ketterijen. Blinden leiden blinden op dit ogenblik. Ze hebben alle zin voor de bovennatuurlijke realiteiten verloren en de mens is een god geworden voor de mens. Ze aanbidden wat ze moesten verbranden. Op listige wijze doden zij God in de zielen. De liefde heeft antennes die de golven van het kwaad opvangen en deze teniet doen. Maar wie de liefde niet heeft is verloren” (2.5.1971).

Armand Ory

Zeer Eerwaarde Heer Pastoor Armand Ory werd geboren te Hoepertingen (Belg. Limburg) op 10 januari 1927 en overleed, uitgeput van zijn noeste arbeid, in de Heer te Sint-Truiden op 9 november 2002. Hij werd priester gewijd te Luik op 22 juli 1952. Was leraar te Genk en te Borgloon en daarna gelijktijdig pastoor te Hendrieken-Voort en Gelinden (Belg. Limburg). Na zijn scheiding van de Kleine Zielen werd hij stichter-schrijver van “Sint-Lambertus kring”. Bij zijn overlijden hield dit op te bestaan. Zijn belangrijkste werk tijdens zijn leven was het aanbieden aan de H. Kerk van de “Funktionele Exegese”, boek met imprimatur van Mgr. Heuschen, over de historiciteit van de Evangeliën, en een aantal boeken waarin deze exegese op de Bijbel (N.T.) wordt toegepast.

Overlijdensbericht pastoor Ory: http://www.inmemoriam.be

Verdieping in de werken van pastoor Ory: Op de KULeuven KADOC  (Katholiek documentatiecentrum) zie hun website; https://kadoc.kuleuven.be

Uit; Tijdschrift ‘Het Legioen Kleine Zielen’, Orgaan van het Legioen Kleine Zielen van Het Barmhartig Hart van Jezus, Uitgever G. De Winter, Deurne, Achttiende Jaargang, Nr. 4, December 1990, blz. 9-17.