Jacques Geudens als eerste pastoor van het Cluster H. Edith Stein

Kerkelijke herstructurering en parochiële identiteit in Zuid-Limburg (1997–2013)

Inleiding

Het huidige parochiecluster H. Edith Stein in Zuid-Limburg ontstond tegen de achtergrond van ingrijpende kerkelijke en maatschappelijke veranderingen aan het einde van de twintigste eeuw. De voortschrijdende ontkerkelijking, de terugloop van het aantal priesters en de noodzaak tot bestuurlijke schaalvergroting dwongen het bisdom Roermond tot nieuwe vormen van samenwerking tussen parochies. Binnen deze ontwikkeling groeide in de regio Bunde, Geulle, Moorveld en Ulestraten een vernieuwend initiatief dat uiteindelijk zou uitmonden in het cluster H. Edith Stein.

Een centrale figuur in deze overgangsfase was de priester Jacques Geudens, die destijds onder de naam Mathias Geudens bekendstond. Als eerste officieel geïnstalleerde pastoor van het cluster speelde hij een sleutelrol in de institutionele consolidatie van het samenwerkingsverband. Zijn levensloop weerspiegelt bovendien bredere ontwikkelingen binnen de Limburgse Kerk van zijn tijd: de zoektocht naar spiritualiteit, de veranderende rol van het priesterschap en de overgang van traditionele dorpsparochies naar regionale clusterstructuren.

Biografische achtergrond van Jacques Geudens

Jacques Geudens werd geboren in 1957 in het Brabantse Bergeijk als oudste van zes kinderen. Zijn levensloop werd reeds vroeg gekenmerkt door een sterke gerichtheid op menselijke nabijheid en sociaal engagement. Na zijn middelbare schoolopleiding volgde hij een studie aan de Sociale Academie in Eindhoven. Hoewel deze opleiding hem een sterke maatschappelijke vorming bood, ervoer hij tegelijkertijd een groeiende behoefte aan spirituele verdieping.

Een bedevaart naar Lourdes vormde een beslissend keerpunt in zijn leven. Daar ontstond het verlangen zich volledig in dienst van Kerk en geloof te stellen. Hij meldde zich aan bij het grootseminarie Rolduc in Kerkrade, waarmee hij een mogelijke loopbaan in het maatschappelijk werk verruilde voor een geestelijke roeping.

De priesteropleiding verliep echter niet zonder moeilijkheden. Na vier jaar studie verliet Geudens het seminarie. Deze periode van onderbreking betekende evenwel geen definitieve breuk met zijn roeping. Gedurende meerdere jaren werkte hij in uiteenlopende functies, onder meer als activiteitenbegeleider binnen de zorgsector. Juist in deze jaren bleef de aantrekkingskracht van het kerkelijk leven bestaan.

Via een gebedsgroep kwam hij in contact met een religieuze gemeenschap in Maastricht, waarin hij intrad. Deze hernieuwde geestelijke oriëntatie bracht hem opnieuw naar Rolduc, waar hij zijn vorming hervatte en zijn weg naar het priesterschap voltooide. In het Jubeljaar 2000 werd hij in de kathedraal van Roermond door bisschop Frans Wiertz tot priester gewijd.

Zijn latere pastorale zelfverstaan bleef sterk bepaald door deze voorgeschiedenis. In interviews en jubileumteksten benadrukte Geudens herhaaldelijk dat zijn roeping wezenlijk verbonden was met nabijheid tot mensen: luisteren, aanwezig zijn, zieken bezoeken, deelname aan sociale projecten en het begeleiden van gelovigen in hun dagelijkse bestaan. Zijn spiritualiteit werd door parochianen vaak omschreven als ingetogen, aandachtig en sterk geworteld in gebed en pastorale beschikbaarheid.

De voorgeschiedenis van het cluster

Reeds vóór de officiële oprichting van het cluster werd achter de schermen gewerkt aan een hechte samenwerking tussen de parochies van de H. Agnes te Bunde, de H. Martinus te Geulle, het Onbevlekt Hart van Maria te Moorveld en later de H. Catharina van Alexandrië te Ulestraten.

Initiatiefnemer van deze ontwikkeling was pastoor Guus Dohmen, die in 1997 benoemd werd tot pastoor van de H. Agnesparochie in Bunde en, na het overlijden van pastoor Hub Hartmann, eveneens verantwoordelijk werd voor de parochie H. Martinus in Geulle. Dohmen verkoos een proactieve benadering: liever vrijwillige samenwerking en geleidelijke integratie dan een van bovenaf opgelegde fusie.

Samen met verschillende kerkbesturen werkte hij plannen uit voor een regionaal samenwerkingsverband van parochies. Deze plannen kregen concrete vorm toen in 1999 bekend werd dat Dohmen tevens benoemd zou worden tot opvolger van pastoor Kusters in Moorveld/Waalsen. Daarmee ontstond feitelijk een clusterstructuur onder leiding van één pastoor.

Edith Stein als geestelijk patroon

Vanaf het begin wensten de initiatiefnemers het nieuwe samenwerkingsverband onder bescherming van een eigen patroonheilige te plaatsen. Men wilde vermijden dat één van de bestaande parochiepatronen voorrang zou krijgen boven de andere, aangezien dit spanningen tussen de deelnemende parochies kon veroorzaken.

De keuze viel op de karmelietes Edith Stein (1891–1942), religieuze naam Teresa Benedicta a Cruce. Haar figuur sloot nauw aan bij de kerkelijke discussies van die tijd, waarin de positie van vrouwen binnen Kerk en samenleving nadrukkelijk ter sprake kwam. Bovendien bezat Edith Stein een bijzondere regionale betekenis doordat zij haar laatste levensjaren doorbracht in de Karmel van Echt.

Stein, van Joodse afkomst en later overtuigd katholiek geworden, gold als intellectueel, spiritueel en maatschappelijk voorbeeld. Haar marteldood in Auschwitz-Birkenau in augustus 1942 verleende haar bovendien een krachtige symbolische betekenis. Na haar zaligverklaring door paus Johannes Paulus II in 1987 en haar heiligverklaring in 1998 werd zij in Limburg beschouwd als een eigentijdse heilige met een sterke regionale verbondenheid.

In het Heilig Jaar 2000 gaf het kerkbestuur van Geulle opdracht aan de kunstenares Carla Bosma een bronzen buste van Edith Stein te vervaardigen. Deze werd tijdens de Heilig Jaar-processie ingezegend door emeritus-bisschop Mgr. J. Soudant en geplaatst in de Sint Martinuskerk te Geulle. De buste fungeerde niet alleen als devotionalium, maar ook als zichtbaar symbool van de groeiende eenheid tussen de parochies.

De overgang na het overlijden van Guus Dohmen

Na zijn priesterwijding werd Geudens benoemd tot kapelaan in Nazareth (Maastricht) en vervolgens in Kerkrade. Daarna volgde zijn benoeming in Bunde, juist in de periode waarin de clusterontwikkeling in volle gang was.

Pastoor Guus Dohmen heeft de volledige institutionele voltooiing van het cluster echter niet meer mogen meemaken. In augustus 2005 overleed hij onverwacht “aan het altaar”, een gebeurtenis die diepe indruk maakte binnen de betrokken geloofsgemeenschappen.

Kort voordien was Mathias Geudens als kapelaan benoemd. Na het overlijden van Dohmen werd hij door het bisdom belast met de tijdelijke leiding over het cluster als administrator. Daarmee kwam hij terecht in een uiterst gevoelige overgangsperiode, waarin zowel bestuurlijke continuïteit als pastorale stabiliteit gewaarborgd moesten worden.

Hoewel hij in kerkelijke kring bekendstond als Mathias Geudens, was zijn burgerlijke naam Jacques (“Jack”) Geudens. De naam “Mathias” functioneerde destijds als de naam waaronder hij zijn geestelijk ambt uitoefende.

De periode-Geudens: consolidatie van een overgangsmodel

De benoeming van Geudens betekende een belangrijke stap in de ontwikkeling van het cluster H. Edith Stein. Op zondag 7 mei 2006 vond zijn officiële installatie plaats als eerste pastoor van het cluster.

Daarmee werd hij de eerste priester die niet langer afzonderlijke historische dorpsparochies bestuurde, maar een geïntegreerd regionaal parochieverband leidde. Zijn benoeming symboliseerde de overgang van een traditionele, lokaal georiënteerde parochiestructuur naar een meer gecentraliseerde vorm van pastoraal bestuur.

De periode-Geudens kan worden beschouwd als de consolidatiefase van het cluster. Waar Guus Dohmen de architect van de samenwerking was geweest, moest Geudens de nieuwe structuur bestuurlijk en pastoraal leefbaar maken. Dit gebeurde in een tijd waarin de Limburgse Kerk geconfronteerd werd met teruglopende kerkbetrokkenheid, priestertekorten en een groeiende noodzaak tot schaalvergroting.

De betrokken parochies behielden aanvankelijk een sterke eigen identiteit. Bunde, Geulle, Moorveld bezaten elk hun eigen kerkelijke tradities, verenigingsleven en plaatselijke verbondenheid. Het verenigen van deze gemeenschappen vereiste daarom grote pastorale behoedzaamheid.

Het bisdom verzocht hem het ambt van clusterpastoor op zich te nemen. Een ernstige longembolie vormde uiteindelijk, na een periode van vijf jaar, een keerpunt in deze fase van zijn leven en priesterlijke bediening.

Na deze gezondheidscrisis werd Geudens overgeplaatst. Hij was vervolgens werkzaam als priester-assistent, eerst in Landgraaf en later in Sittard. Vanuit deze functies bood hij gedurende meerdere jaren pastorale ondersteuning aan talrijke Limburgse parochies, waaronder Heijen, Afferden en Siebengewald.

Verdere pastorale loopbaan

In latere jaren werd Geudens verbonden aan de regio dekenaat Venray, waar hij opnieuw een meer direct pastorale taak kon vervullen. Met name in Smakt, Merselo, Vredepeel en Ysselsteyn ontwikkelde hij zich tot een priester die sterk gewaardeerd werd om zijn pastorale nabijheid.

Zijn zilveren priesterjubileum, gevierd in juni 2025 in Smakt, onderstreepte deze waardering. In beschrijvingen van zijn persoon kwamen steeds dezelfde kenmerken naar voren: rust, aandacht voor mensen, gebedsleven, ziekenzorg en luisterbereidheid. Pelgrims in Smakt vonden in hem een toegankelijke biechtvader en geestelijk begeleider. Daarnaast bleef hij actief betrokken bij sociale projecten in de regio Venray.

Deze latere periode toont tevens een verschuiving in zijn priesterlijk functioneren: van bestuurlijk verantwoordelijke clusterpastoor naar een meer relationeel en spiritueel georiënteerde vorm van pastoraat, waarin persoonlijke nabijheid centraal stond.

Verdere ontwikkeling onder Federico Ceriani

Na de periode-Geudens kende het cluster verdere groei en ontwikkeling onder opeenvolgende pastoors. Eén van hen was pastoor Federico Ceriani, die een belangrijke afronding gaf aan het identiteitsproces van het cluster.

Bij zijn afscheid op 8 september 2013 benoemde Ceriani Edith Stein officieel tot patrones van het cluster. Daarmee werd de keuze die reeds sinds de jaren negentig impliciet richting had gegeven aan de samenwerking, formeel kerkelijk bevestigd. Deze plechtigheid gold als het definitieve sluitstuk van een langdurig proces van institutionele en spirituele integratie.

Conclusie

De geschiedenis van het cluster H. Edith Stein weerspiegelt de bredere ontwikkeling van de katholieke Kerk in Limburg aan het einde van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw. Tegen de achtergrond van ontkerkelijking en priesterschaarste ontstond een nieuwe vorm van parochiële samenwerking waarin bestuurlijke schaalvergroting gepaard ging met het zoeken naar een gedeelde spirituele identiteit.

Binnen deze ontwikkeling speelde pastoor Jacques Geudens een cruciale rol. Als eerste pastoor van het cluster belichaamde hij de overgang van traditionele zelfstandige dorpsparochies naar een geïntegreerde pastorale eenheid. Zijn ambtsperiode maakte zichtbaar hoe zwaar de overgang naar nieuwe kerkstructuren kon wegen op individuele priesters.

Tegelijkertijd toont zijn latere pastorale loopbaan dat zijn kracht minder lag in institutioneel bestuur dan in persoonlijke nabijheid, geestelijke begeleiding en pastorale aanwezigheid. Juist daarin ligt de blijvende betekenis van de periode-Geudens: niet uitsluitend in bestuurlijke hervorming, maar in de poging menselijke nabijheid te bewaren binnen een Kerk in transitie.

Smakt, 29 mei 2026, pastoor Geudens

Inleiding III – De mystieke sleutel: het Kruis als levensvorm

Weekendretraite


Bij Jezus blijven onder het Kruis — in het licht van de Verrijzenis

Participatio – configuratio – conformitas

Inleiding III – De mystieke sleutel: het Kruis als levensvorm

In deze derde inleiding wil ik één verdieping aanbrengen. Niet om het ingewikkelder te maken, maar om het zuiverder te zien. We kijken naar Dora Visser onder het blijvend present Kruis van Christus — niet als naar een voorbij moment, maar als naar een levende werkelijkheid die het christelijk bestaan vormgeeft.

Daarbij gebruik ik één eenvoudige sleutel, die u mag onthouden als een “mystieke ladder in één zin”:

Participatio (deelhebben) leidt tot configuratio (vormwording), die rijpt in conformitas (wilsovereenstemming).
Zo wordt het Kruis niet een thema waarover we spreken, maar een levensvorm waarin we leren leven in Christus.


1. Leeswijzer: geen sensatie, maar vorm

Wat u zo dadelijk hoort, is een christologisch verantwoorde, mystiek-theologische lezing van Dora’s leven onder het criterium van het Kruis. Niet vanuit sensatie en fenomenen, maar vanuit de vraag naar gestalte:

Welke vorm krijgt een mensenleven wanneer het werkelijk “onder het Kruis” wordt geplaatst?

Het uitgangspunt is eenvoudig — en tegelijk veeleisend:

  • het Kruis van Christus is historisch eenmalig en volbracht;
  • de menswording is blijvend: Christus is voor eeuwig God-mens;
  • daarom kan het Kruis niet worden teruggebracht tot een “voorbij moment”, maar blijft het als gekruisigde liefde constitutief voor wie de Verrezene is.

Vanuit die horizon verstaan we Dora’s weg als:
participatio → configuratio → conformitas.


2. Het Kruis als blijvende identiteit van de God-mens

De vraag of het Kruis slechts een historisch moment is, of ook een blijvende werkelijkheid in het God-mens-zijn van de Zoon, raakt de kern van elke mystieke duiding.

De klassieke christologie belijdt Christus als één Persoon in twee naturen: waarachtig God en waarachtig mens. Dat betekent: de menswording is geen fase die later “verdwijnt”. De Zoon blijft blijvend God-mens.

Tegelijk vraagt de orthodoxie om precisie:

  • Christus’ lijden is werkelijk — naar zijn menselijke natuur;
  • God lijdt niet naar zijn goddelijke natuur (impassibilitas Dei);
  • het Kruis is eenmalig en definitief: “Het is volbracht.”

En toch: de Verrezene blijft herkenbaar als de Gekruisigde. De Schrift toont Hem niet als iemand die “het kruis achter zich liet”, maar als de Heer die de tekenen van zijn liefde draagt. Het beeld van het Lam, staande als geslacht drukt uit: de kruisvorm wordt niet weggeschoven naar “vroeger”, maar behoort tot de identiteit van de Gekruisigde-Verrezene.

Daarmee ontstaat ruimte voor het geestelijk leven: niet om Golgotha te herhalen, maar om te verstaan hoe een mensenleven door genade kan worden ingevoegd in Christus’ blijvende zelfgave.


3. Het veilige onderscheid: passio en oblatio

Wie over de “blijvende presentie” van het Kruis spreekt, moet één onderscheid helder bewaren. Anders schuiven we ongemerkt naar een idee van “voortdurende kruisiging”, alsof het offer niet voltooid zou zijn.

Daarom dit veilige onderscheid:

  • Passio (het ondergaan van pijn) is voltooid.
  • Oblatio (de zelfgave) is blijvend levend en present.

De juiste formulering is dus:

Niet de passio duurt voort, maar de oblatio: Christus blijft eeuwig de zelfgave die in het Kruis zichtbaar werd — nu verheerlijkt.

En daarom geldt ook:

De wonden zijn niet de voortzetting van het lijden, maar de verheerlijkte tekenen van de gekruisigde liefde.

Dit bewaart drie dingen tegelijk:

  1. de voltooiing van Golgotha,
  2. de werkelijke overwinning van de verrijzenis,
  3. de blijvende identiteit van Christus als Gekruisigde-Verrezene.

4. De hermeneutische sleutel: participatio – configuratio – conformitas

Vanuit dit fundament kunnen we Dora’s weg verstaan zonder overspanning en zonder reductie.

a) Participatio – deelhebben (zonder duplicatie)

Participatio betekent: deelhebben aan Christus door genade. De Schrift spreekt scherp én gevoelig: “met Christus gekruisigd” en “aanvullen wat ontbreekt” — niet alsof er iets ontbreekt aan het heil, maar omdat de vrucht van het ene offer doorwerkt in het Lichaam, de Kerk.

Voor Dora betekent dit: haar lijden is geen tweede verlossingsdaad en geen bewijsvoering. Het kan verstaan worden als een leven dat, in gehoorzaamheid en communio, deelneemt aan Christus’ ene zelfgave.

b) Configuratio – vormwording: het Kruis krijgt gestalte

Configuratio gaat dieper: het bestaan krijgt de vorm van Christus. Hier verschuift de vraag van “wat gebeurde er?” naar “wat wordt iemand?” Het criterium is niet het fenomeen, maar de Christusvorm die zich aftekent: waarheid, gehoorzaamheid, eucharistische gerichtheid, ecclesiale inbedding, mariale ontvankelijkheid.

c) Conformitas – wilsovereenstemming: “niet mijn wil”

Conformitas is de rijpe fase: innerlijk gelijkgestemd worden. Het klassieke knooppunt is Getsemane: “Niet mijn wil, maar de uwe.” Conformitas wordt zichtbaar in vrede onder beproeving, onderscheiding, aanvaardbare correctie, ecclesiale nederigheid en het ontbreken van aanspraak op uitzonderingspositie.


5. Slot: het Kruis is criterium

Als Christus voor eeuwig de Gekruisigde-Verrezene is, dan is het Kruis geen afgesloten hoofdstuk. Het is de blijvende openbaring van Gods zelfgave.

En dan wordt Dora’s leven leesbaar: niet als mystiek fenomeen, maar als een weg van participatio – configuratio – conformitas.

Het Kruis is geen herinnering.
Het is criterium.

Amen.


(Grondtekst Verdieping: doravisser.org)

Inleiding II – Het Kruis als maatstaf van mens-zijn

Weekendretraite

Bij Jezus blijven onder het Kruis — in het licht van de Verrijzenis
Dora Visser gelezen in het licht van Christus, de Gekruisigde en Verrezene

Inleiding II – Het Kruis als maatstaf van mens-zijn

Broeders en zusters,

In dit tweede deel van onze retraite gaan wij een stap dieper. Niet om meer te weten, maar om anders te kijken. Wij proberen het leven van Dorothea (Dora) Visser te verstaan onder één beslissend criterium: het Kruis van Jezus Christus.

Dat is een andere benadering dan wij vaak gewend zijn. Gewoonlijk wordt iemand als Dora gelezen op drie manieren: als bijzonder verschijnsel, als medisch of psychologisch geval, of als object van volksdevotie. Maar vandaag stellen wij een andere vraag.

Niet: Wat is hier precies gebeurd?
Niet: Hoe verklaren wij dit?
Maar: Wat wordt hier zichtbaar over mens-zijn in het licht van Christus?

Het Kruis wordt dan geen probleem dat opgelost moet worden, maar een plaats waar waarheid zichtbaar wordt.


1. Het Kruis als criterium

De Kerk heeft haar geschiedenis nooit gedragen door macht of succes. Haar diepste kracht ligt in de paradox van het Kruis. Wij bidden het elke Goede Vrijdag:
“Wij aanbidden U, Christus, en wij loven U, omdat Gij door uw heilig Kruis de wereld verlost hebt.”

Het Kruis is geen bijzaak in het christendom. Het is de grammatica ervan.
“Wie zijn kruis niet opneemt…”
“Als de graankorrel niet sterft…”

Maar laten wij goed verstaan: het lijden is geen ideaal. Het is geen doel. De Kerk zoekt geen pijn. Zij zoekt vrede, gerechtigheid, bloei. Maar zij weet dat haar diepste vruchtbaarheid voortkomt uit deelname aan Christus’ zelfgave.

Het Kruis is geen hel op aarde.
Het is de uiterste kreet van de liefde.

Juist waar de wereld vernietiging ziet, opent het Kruis een horizon van nieuw leven.

In dat licht wordt Dora niet gelezen als afwijking van het normale, maar als een concentratiepunt waarin fundamentele vragen zichtbaar worden:
Wat is waardigheid?
Wat blijft er over wanneer autonomie wegvalt?
Is een mens nog volledig mens wanneer hij niet meer “functioneert”?


2. Twee valkuilen vermijden

Wanneer wij spreken over mystiek en lijden, dreigen altijd twee reducties.

De eerste: sensatie. Iemand wordt een religieus spektakel.
De tweede: reductie. Alles wordt opgelost in medische of psychologische verklaringen.

Beide doen tekort aan de persoon.

Een christelijke lezing neemt het lijden ernstig, maar verheft het niet tot bewijs. Zij verklaart niet alles dicht, maar romantiseert ook niet. Zij vraagt: hoe wordt hier een leven gedragen in relatie tot Christus?

Dat is iets anders dan heiligverklaring. Het is hermeneutiek. Het is proberen te verstaan.


3. Menselijke waardigheid onder het Kruis

Hier raken wij aan een diepere antropologische grondlijn van de Kerk.

Volgens de katholieke traditie is de mens een eenheid van lichaam en ziel, geschapen naar Gods beeld. Zijn waardigheid berust niet op prestatie, niet op autonomie, niet op maatschappelijke bruikbaarheid. Zij berust op zijn persoon-zijn.

Die waardigheid blijft bestaan wanneer vermogens worden aangetast.
Zij blijft bestaan wanneer afhankelijkheid toeneemt.
Zij blijft bestaan wanneer een mens niets “produceert”.

Het Kruis openbaart precies dat: Gods macht verschijnt niet in dominantie, maar in zelfgave. Zwakheid wordt plaats van goddelijke kracht.

In dat licht kan Dora’s kwetsbaarheid gelezen worden zonder ontologische vermindering. Haar beperktheid maakt haar niet minder mens. Integendeel: juist daar wordt ontvangen waardigheid zichtbaar.

Dat betekent niet dat lijden op zichzelf betekenis heeft. Maar het betekent wel dat een leven in kwetsbaarheid niet buiten Gods heilshorizon valt.


4. Mariologische en ecclesiale bedding

De Kerk bewaart altijd een norm. Wanneer wij spreken over deelname aan Christus’ lijden, dan mag niemand ooit op één lijn worden gesteld met Hem.

Maria zelf staat onder het Kruis als ontvangende vrijheid. Zij voegt niets toe aan de objectieve waarde van Christus’ Offer. Zij ontvangt en stemt in.

Vanuit die norm kan Dora slechts analogisch worden verstaan. Niet als tweede Maria. Niet als heilsfiguur. Maar als mogelijke echo van ontvangende trouw binnen de Kerk.

Dat is belangrijk. Het bewaart tegen overspanning én tegen reductie.

Ecclesiologisch betekent dit: Dora wordt niet geïsoleerd als privé-mystiek fenomeen. Haar leven wordt geplaatst binnen de communio van de Kerk, binnen het liturgische ritme van kruis en verrijzenis.

De vraag is dan niet: hoe uitzonderlijk was zij?
Maar: kan haar leven verstaan worden als geconfigureerd aan Christus — in gehoorzaamheid, ontvankelijkheid en verborgenheid?


5. Het paasmystieke ritme

Elke kruis-hermeneutiek zonder verrijzenis wordt morbiditeit.
Elke verrijzenis zonder kruis wordt triomfalisme.

De Kerk leeft in het paasmysterie: sterven om te verrijzen. Dat is geen psychologisch schema. Het is sacramentele werkelijkheid. In de Eucharistie wordt het ene Offer van Christus tegenwoordig gesteld. Van daaruit stroomt het leven van de Kerk.

Dat verplaatst de aandacht van fenomeen naar participatie.

Niet: wat heeft Dora “geproduceerd”?
Maar: hoe kan haar bestaan — in zijn afhankelijkheid en verborgenheid — verstaan worden als deelname aan Christus?

Hier opent zich ook een eschatologische horizon. Niet alles krijgt hier en nu zijn zichtbare betekenis. De Kerk leeft van verwachting. Haar geschiedenis eindigt niet in succes, maar in het gebed:

Kom, Heer Jezus.


6. Wat betekent dit voor ons?

Broeders en zusters, ook dit deel van de retraite gaat uiteindelijk niet alleen over Dora.

Het gaat over de vraag:
Wat is het criterium waarmee wij ons eigen leven beoordelen?

Prestatie?
Controle?
Autonomie?
Succes?

Of het Kruis van Christus?

Wanneer het Kruis het criterium wordt, verschuift alles. Dan wordt niet gevraagd: hoe indrukwekkend is mijn leven? Maar: is het geconfigureerd aan Christus? Wordt het gedragen in relatie tot Hem?

Dan wordt kwetsbaarheid geen ontkenning van waardigheid, maar plaats van ontvangen genade.

Dan wordt verborgenheid geen mislukking, maar mogelijk teken.

Dan wordt lijden geen doel, maar een weg — opgenomen in het paasmysterie.


Conclusie

Een theologische lezing onder het Kruis verlegt het accent van fenomeen naar betekenis, van causaliteit naar configuratie.

Het christologisch criterium bewaart de waardigheid van de persoon.
De mariologische norm bewaart proportionaliteit.
De ecclesiologische bedding voorkomt isolatie.
De eucharistische bron verankert alles in het paasmysterie.

In die samenhang verschijnt Dora niet primair als uitzonderlijk verschijnsel, maar als mogelijk teken van menselijke waardigheid in kwetsbaarheid — verstaan in relatie tot Christus, ingebed in de Kerk, en gedragen door het ritme van kruis en verrijzenis.

En ook hier geldt:

Het laatste woord is niet analyse.
Het laatste woord is niet lijden.
Het laatste woord is Christus.

En Hij komt.

Amen.


( Grondtekst Verdieping: doravisser.org )

Inleiding I – Het Kruis als Paasweg

Weekendretraite

Bij Jezus blijven onder het Kruis — in het licht van de Verrijzenis
Geïnspireerd door het leven van Dorothea (Dora) Visser

Inleiding I – Het Kruis als Paasweg

In deze retraite wil ik u meenemen op een weg. Geen weg van sensatie. Geen weg van nieuwsgierigheid naar bijzondere verschijnselen. Maar een weg naar het hart van ons geloof: het Kruis van Jezus Christus — en het Paasmorgenlicht dat daaruit opgaat.

Wanneer wij spreken over het leven van Dorothea (Dora) Visser, dan is het niet het fenomeen dat ons moet boeien, maar haar relatie tot de Gekruisigde en Verrezene Heer. Niet de wonden staan centraal, maar de Liefde. Niet het uitzonderlijke, maar de trouw.

Het Kruis is in de christelijke theologie geen eindpunt. Het is geen doodlopende weg. Het is een Paasweg. Goede Vrijdag en Pasen horen bij elkaar. Het lijden is niet het laatste woord — de liefde is dat.


1. Het Kruis als plaats van ontmoeting

Wat betekent kruis-spiritualiteit eigenlijk?

Niet: liefde voor pijn.
Niet: zoeken naar lijden.
Maar: wanneer het lijden ons overkomt, het leren dragen met Christus.

Het Kruis is de plaats waar Gods liefde zichtbaar wordt. Niet in macht. Niet in succes. Maar in zelfgave. In trouw. In blijven.

Wanneer wij naar Dora kijken, zien wij geen vrouw die pijn zocht. Wij zien een vrouw die het lijden niet kon ontlopen: armoede, ziekte, verlies in haar gezin, afhankelijkheid, publieke verdenking. Maar in dat alles bleef zij zich hechten aan Jezus.

En dat is het beslissende: relatie.


2. Geen project, maar ontvangen leven

Dora werd geboren in 1819 in een eenvoudig katholiek gezin in Gendringen. Armoede en kindersterfte waren voor haar geen theorie, maar werkelijkheid. Het kruis kwam niet als idee — het kwam als leven.

En toch zien wij in haar jeugd iets anders groeien: gebed, eucharistische liefde, verlangen naar Christus. Haar Eerste Communie werd een keerpunt. Daar ligt het hart van haar spiritualiteit.

Wie leeft vanuit de Eucharistie, leert een andere grammatica van het lijden.
Het lijden wordt niet goed.
Het wordt niet verheerlijkt.
Maar het kan — als het niet te vermijden is — worden ingeweven in Christus’ zelfgave.

Dat is iets heel anders dan zelfverlossing. Christus alleen redt. Maar wij mogen deelnemen aan zijn liefde.


3. De lange weg van ziekte

Een ernstige beenwond tekende haar verdere leven. Jarenlange behandeling. Pijn. Afhankelijkheid. Beperking.

En hier, broeders en zusters, raken wij misschien dichter bij ons eigen leven dan bij mystieke verhalen.

Het echte kruis is vaak niet het spectaculaire.
Het is het monotone.
Het dagelijkse.
Het niet-kunnen.
Het wachten.
Het afhankelijk zijn.

Daar wordt waardigheid beproefd.

En het evangelie zegt ons iets revolutionairs:
De mens is niet waardig omdat hij presteert.
De mens is waardig omdat hij geliefd is.


4. Over fenomenen en voorzichtigheid

Later worden in haar leven bloedingen en stigmata gemeld. Getuigen spreken daarover. Er ontstaat twijfel. Beschuldigingen. Onderzoek. Publieke controverse.

Maar in deze retraite wil ik u vragen: blijf niet steken bij de vraag “Is het waar of niet?” Dat is een legitieme historische vraag, en zij vraagt zorgvuldigheid.

Wat voor ons hier belangrijker is, is dit:
Welke vrucht zien wij?

Blijft iemand gehoorzaam aan de Kerk?
Blijft iemand nederig?
Blijft iemand liefhebben?
Blijft iemand bidden — ook wanneer hij wordt bespot?

Dat is het echte criterium van het Kruis.

Het tweede kruis in haar leven was misschien niet de wond, maar de vernedering: beschuldigd worden, gereduceerd worden tot curiosum, misverstaan worden.

Ook dat herinnert ons aan Christus: niet alleen de Gekruisigde, maar ook de Bespotte.


5. Het ritme van de Kerk

Wat mij persoonlijk diep raakt, is dat haar lijden — hoe men het ook duidt — verbonden werd met het liturgisch ritme van de Kerk: Goede Vrijdag, Kruisvinding, Kruisverheffing.

Dat is belangrijk. Het Kruis staat nooit los van de Kerk. Het is geen privé-mystiek. Het wordt gedragen binnen de communio, de gemeenschap van gelovigen.

En vooral: de liturgie eindigt nooit bij Goede Vrijdag. Zij opent naar Pasen.

Zonder verrijzenis wordt het kruis morbiditeit.
Zonder kruis wordt verrijzenis oppervlakkig.
De christelijke weg is altijd beide.


6. Verborgenheid als evangelische vrucht

In haar latere leven woont Dora eenvoudig, dient in het huishouden, bidt en blijft verborgen. Geen grote werken. Geen zichtbare prestaties.

En misschien is dat wel het meest evangelische van alles.

De Kerk leeft niet alleen van grote namen.
Zij leeft van verborgen mensen.
Van stille voorbede.
Van gedragen lijden.
Van trouw die niemand ziet — behalve God.

In dat verborgen leven wordt iets zichtbaar van de paradox van het evangelie: waardigheid openbaart zich niet ondanks kwetsbaarheid, maar juist in de trouw die het kruis draagt in hoop op de verrijzenis.


7. Methodologische eerlijkheid als geestelijke houding

In het tweede deel van mijn werk maak ik altijd een duidelijk onderscheid tussen:
– wat historisch vaststaat,
– wat berust op getuigenverslagen,
– en wat theologisch wordt geduid.

Waarom zeg ik dat hier in een retraite?

Omdat waarheid en nederigheid bij elkaar horen.

Wanneer wij spreken over lijden, genezing, mystiek of bijzondere fenomenen, moeten wij zorgvuldig zijn. Transparantie is geen academische formaliteit. Het is een vorm van respect.

Respect voor feiten.
Respect voor personen.
Respect voor de waarheid die wij in geloof zoeken.

Ook dat is kruis-spiritualiteit: geen sensatie, geen overdrijving, maar eerlijkheid.


8. Wat betekent dit voor ons?

Deze retraite gaat uiteindelijk niet over Dora.
Zij gaat over ons.

Waar is in uw leven het kruis?
Niet het gekozen kruis,
maar het gegeven kruis.

Waar wordt u beperkt?
Waar wordt u misverstaan?
Waar verliest u controle?
Waar wordt uw autonomie kleiner?

De vraag is niet: hoe kom ik er zo snel mogelijk van af?
De vraag is: kan dit, met Christus, een plaats van ontmoeting worden?

Het kruis is geen doel.
Het is een weg.

En aan het einde van die weg staat niet pijn.
Daar staat Christus — de Gekruisigde die de Verrezene is.

Dat is de hoop van deze retraite:
dat wij leren zien dat geen enkel lijden het laatste woord heeft;
dat geen enkele vernedering ons uit Gods hand kan slaan;
dat geen enkele verborgenheid verloren gaat.

Het laatste woord is niet kruis.
Het laatste woord is Christus.

En Hij leeft.

Amen.


(Grondtekst Verdieping: Klik hier)

Pro-life, gekwetst leven en het priesterschap onder het teken van het Kruis

Pro-life, gekwetst leven en het priesterschap onder het teken van het Kruis

Waarheid, barmhartigheid en weerhoudende liefde als kern van pastorale theologie


Pastoor Jack Geudens (priester en arbeidstherapeut)

Smakt, januari 2026


Abstract

Deze verhandeling onderzoekt de intrinsieke samenhang tussen pro-life als geloofsbelijdenis, de zorg voor het gekwetste leven en het priesterschap als sacramenteel merkteken van Gods barmhartige liefde. Tegen de achtergrond van het Tweede Vaticaans Concilie en het magisterium wordt betoogd dat deze drie dimensies geen afzonderlijke pastorale thema’s vormen, maar uitdrukking zijn van één fundamentele geestelijke houding: weerhoudende liefde onder het teken van het Kruis.

Vanuit een christelijk-personalistische antropologie wordt menselijke waardigheid ontologisch gefundeerd en begrepen als voorafgaand aan prestatie, keuze of functionaliteit. Deze mensvisie wordt verdiept door arbeidstherapeutische en psychosociale inzichten, in het bijzonder door de bevestigingsleer van Anna Terruwe en Conrad W. Baars, zoals toegepast in het eigen werk Relatie als instrument van genezing. Relatie verschijnt daarin niet louter als context, maar als actief instrument van genezing, waarin bevestigende en weerhoudende liefde samen werkzaam zijn.

Maria en Jozef worden theologisch uitgewerkt als normatieve relationele gestalten van ecclesiale onderscheiding: Maria als ontvangende en dragende gestalte van de Kerk tot onder het Kruis, Jozef als bewaker van het toevertrouwde leven zonder beheersing. In het licht van de Passionistische kruisspiritualiteit wordt het Kruis verstaan als het ultieme criterium van waarheid en barmhartigheid: God redt het leven niet door het te elimineren, maar door het te dragen.

De studie concludeert dat pro-life binnen de pastorale theologie niet kan worden gereduceerd tot een ethisch standpunt, maar moet worden verstaan als een constitutieve dimensie van genezende pastorale praxis. Het priesterschap verschijnt daarbij als relationeel-sacramentele dienst waarin het gekwetste leven niet alleen gedragen hoeft te worden, maar wordt opgenomen in een weg van waarheid, barmhartigheid en verrijzenishoop.

Trefwoorden: pastorale theologie; pro-life; gekwetst leven; priesterschap; weerhoudende liefde; relatie en genezing; Kruis; Maria en Jozef; menselijke waardigheid; Vaticanum II.


Abstract (English)

This treatise is situated within pastoral theology and examines the intrinsic coherence between pro-life as a confession of faith, pastoral care for wounded life, and the priesthood as a sacramental sign of God’s merciful love. Drawing on the Second Vatican Council and the contemporary magisterium, it argues that these dimensions are not separate pastoral themes but expressions of one fundamental spiritual attitude: restraining love (weerhoudende liefde) lived under the sign of the Cross.

Grounded in a Christian personalist anthropology, human dignity is understood ontologically—as prior to performance, choice, or functionality. This vision is deepened through occupational-therapeutic and psychosocial insights, particularly the affirmation theory of Anna Terruwe and Conrad W. Baars, as appropriated in the author’s work Relationship as an Instrument of Healing. Within this framework, relationship is not merely the context of care but an active instrument of healing in which affirming and restraining love operate together.

Mary and Joseph are theologically developed as normative relational figures for ecclesial discernment: Mary as the receptive and bearing figure of the Church who remains faithful unto the Cross, and Joseph as the guardian of entrusted life without domination. In the light of Passionist spirituality, the Cross is interpreted as the ultimate criterion of truth and mercy: God saves life not by eliminating it, but by bearing it.

The study concludes that, within pastoral theology, pro-life cannot be reduced to an ethical position but must be understood as a constitutive dimension of healing pastoral praxis. The priesthood thus emerges as a relational-sacramental ministry in which wounded life is not left to be borne alone, but is taken up into a path of truth, mercy, and hope in the Resurrection.

Keywords: pastoral theology; pro-life; wounded life; priesthood; restraining love; relationship and healing; Cross; Mary and Joseph; human dignity; Second Vatican Council.


Inleiding

Deze scriptie situeert zich expliciet binnen de pastorale theologie en onderzoekt hoe pro-life als geloofsbelijdenis, de zorg voor het gekwetste leven en het priesterschap als merkteken van Gods barmhartige liefde elkaar wederzijds verhelderen in de concrete pastorale praxis van de Kerk. Pastoraal-theologie wordt hier niet opgevat als een louter toegepaste discipline, maar als een reflectie op de wijze waarop de waarheid van het Evangelie gestalte krijgt in begeleidend handelen, onderscheiding en genezende aanwezigheid.

Vertrekpunt is de overtuiging dat deze drie dimensies geen afzonderlijke pastorale thema’s vormen, maar uitdrukking zijn van één geestelijke kern: het innerlijk gezag dat ontspringt aan gehoorzaamheid onder het teken van het Kruis. In een context waarin pro-life vaak wordt gereduceerd tot ethisch debat, het priesterschap tot functionele rol en pastorale zorg tot louter nabijheid zonder normatief kader, betoogt deze studie dat juist hun samenhang beslissend is voor een authentieke pastorale praktijk.

De methode is fundamenteel pastoraal-theologisch: zij vertrekt vanuit de geloofstraditie (Vaticanum II, magisterium), wordt hermeneutisch verdiept door de kruisspiritualiteit en wordt getoetst aan arbeidstherapeutische en psychosociale ervaringen in de pastorale praktijk. De centrale these luidt dat weerhoudende liefde — een liefde die bewaart zonder te beheersen — een sleutelcategorie vormt voor hedendaagse pastorale theologie (vooral in Amerika en Canada!).


Hoofdstuk I – Menselijke waardigheid als ontologisch gegeven

Het Tweede Vaticaans Concilie verankert menselijke waardigheid niet functioneel, maar ontologisch. In Gaudium et Spes wordt de mens begrepen als geschapen, gekend en geroepen door God, nog vóór enige prestatie of keuze.[^1] Deze fundamentele voorafgaandheid van waardigheid impliceert dat het leven zelf niet tot object van beschikking mag worden gemaakt.

Vanuit deze grondintuïtie wordt abortus expliciet benoemd als strijdig met de morele orde, niet uit juridisme, maar omdat waar het leven afhankelijk wordt van keuze, vrijheid omslaat in macht.[^2] Deze conciliaire antropologie vormt het fundament van een pro-life-houding die niet ideologisch, maar existentieel is.


Hoofdstuk II – Relatie als instrument van genezing binnen de pastorale theologie

1. Inleiding: van pastorale nabijheid naar relationele genezing

Binnen de pastorale theologie wordt nabijheid vaak genoemd als sleutelwoord. Toch volstaat nabijheid op zichzelf niet. Deze studie betoogt dat pastorale nabijheid pas werkelijk genezend wordt wanneer zij relationeel wordt doordacht en geleefd.^10 Hier biedt het werk Relatie als instrument van genezing van Pastoor Jack Geudens een wezenlijke verdieping. Relatie wordt daarin niet slechts opgevat als context van zorg, maar als actief instrument waardoor genezing kan plaatsvinden.^11

Deze benadering sluit aan bij een christelijk-personalistische antropologie waarin de mens niet alleen als individu, maar als relationeel wezen wordt verstaan.^12 De pastorale vraag verschuift daarmee van: “Wat moet er moreel gezegd worden?” naar: “Hoe kan de relatie zélf drager worden van waarheid, bevestiging en genezing?” Deze verschuiving is van fundamenteel belang voor een pastorale theologie die pro-life, zorg voor gekwetste levens en priesterschap integraal wil verbinden.

2. Antropologische grondslag: de mens als relationeel en bevestigingsbehoeftig wezen

 

De mens bezit een aangeboren behoefte aan liefde en bevestiging. Deze behoefte is geen zwakte, maar behoort tot de constitutieve structuur van het mens-zijn.^13 In de bevestigingsleer van Anna Terruwe en Conrad W. Baars wordt gesteld dat de mens slechts tot innerlijke volwassenheid kan komen wanneer hij zich existentieel bevestigd weet in zijn zijn.^14

Wanneer deze bevestiging ontbreekt, ontstaan vormen van innerlijke stagnatie die zich kunnen uiten in angst, schuldgevoelens, relationele verstoringen en morele verwarring.^15 Vanuit pastoraal-theologisch perspectief betekent dit dat morele breukmomenten — waaronder abortus — zelden los te zien zijn van relationele kwetsuren. De pastorale zorg kan zich daarom niet beperken tot normstelling, maar moet aandacht hebben voor het relationele tekort dat aan veel existentiële beslissingen voorafgaat.

3. Relatie als instrument: bevestigende en weerhoudende liefde

 

In Relatie als instrument van genezing wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van liefde.^16 Centraal staat de bevestigende liefde, die de ander helpt zich gekend en gewaardeerd te weten, en de weerhoudende liefde, die grenzen stelt ter bescherming van de persoon.^17

Bevestigende liefde zegt: “Het is goed dat jij er bent.” Weerhoudende liefde zegt: “Niet alles is goed voor jou.” In pastorale theologie zijn deze twee niet tegengesteld, maar complementair.^18 Zonder bevestiging wordt weerhouding hard; zonder weerhouding wordt bevestiging leeg. In deze dynamiek verschijnt relatie als genezend instrument: zij herstelt innerlijke orde door liefde en waarheid samen te laten werken.

4. Pastorale implicaties voor het gekwetste leven

 

Het gekwetste leven — gekenmerkt door schuld, schaamte, rouw en existentiële breuk — vraagt om relaties die dragen zonder te beheersen.^19 De pastorale praktijk laat zien dat mensen pas ontvankelijk worden voor waarheid wanneer zij zich veilig weten in een relatie.^20

Hier krijgt de eerder ontwikkelde notie van pro-life een verbreding: niet alleen het ongeboren leven vraagt bescherming, maar ook het innerlijk leven van wie gewond is geraakt.^21 Pastorale theologie die relationele genezing ernstig neemt, zal daarom investeren in langdurige begeleidende relaties, sacramentele beschikbaarheid en gemeenschapsvorming.^22

5. Maria en Jozef als relationele gestalten

 

Maria en Jozef belichamen relationele genezing op exemplarische wijze. Maria ontvangt en draagt leven zonder voorwaarden; Jozef beschermt en bewaakt zonder te beschikken.^23 Hun handelen is relationeel, niet instrumenteel. Zij tonen dat genezing begint bij trouw in relatie, niet bij controle.

Deze mariale en josefijnse houding vormt een normatieve spiegel voor pastorale relaties: ontvangen, bewaren, dragen en beschermen.^24 In deze zin functioneren zij niet slechts als vrome voorbeelden, maar als theologisch-pastorale criteria.

6. Het Kruis als ultieme relationele openbaring

 

Het Kruis van Christus is de plaats waar relatie en genezing hun diepste betekenis krijgen.^25 Christus draagt de mens niet op afstand, maar betreedt diens lijden. Het Kruis openbaart een God die relationeel aanwezig blijft, zelfs waar schuld en breuk realiteit zijn.^26

Binnen de Passionistische spiritualiteit wordt het Kruis verstaan als school van liefde.^27 Het leert dat ware genezing niet ontstaat door eliminatie van pijn, maar door het dragen ervan in liefde. Pastorale relaties die uit dit Kruis leven, worden plaatsen van hoop en verrijzenis.

7. Pastorale theologie en pro-life: een geïntegreerde benadering

 

Wanneer relatie als instrument van genezing wordt erkend, verschijnt pro-life in nieuw licht. Het is geen strijd tegen mensen, maar een keuze voor relationele trouw aan het leven.^28 Het beschermt leven door relaties te versterken waarin leven kan groeien.

Deze geïntegreerde benadering vraagt van priesters en pastorale werkers dat zij zichzelf verstaan als relationele bemiddelaars van Gods barmhartigheid.^29 Hun aanwezigheid, luisterhouding en trouw worden zo sacramentele tekenen van hoop.

8. Conclusie

 

Dit hoofdstuk heeft aangetoond dat relatie, wanneer zij wordt gedragen door bevestigende en weerhoudende liefde, een krachtig instrument van genezing vormt binnen de pastorale theologie.^30 Pro-life, zorg voor het gekwetste leven en priesterschap vinden hier hun gemeenschappelijke grond: een relationele spiritualiteit onder het teken van het Kruis.


Hoofdstuk III – Maria en Jozef als normatieve gestalten

 

In Lumen Gentium verschijnt Maria niet als devotionele toevoeging, maar als persoonlijke gestalte van de Kerk.[^4] Haar fiat is geen autonome zelfbeschikking, maar radicale ontvankelijkheid voor een leven dat haar wordt toevertrouwd. Zij bewaart dit leven tot onder het Kruis en wordt zo normatief voor ecclesiale onderscheiding.

Naast Maria staat Jozef als bewaker van het mysterie. Zijn handelen is niet gebaseerd op zekerheid of controle, maar op toevertrouwd-zijn.[^5] In hem verschijnt een vorm van verantwoordelijkheid die voorafgaat aan overzicht. Deze josefijnse houding vormt een tegenbeeld van een cultuur van maakbaarheid en conditionele aanvaarding.


Hoofdstuk IV – Het Kruis en de Passionistische spiritualiteit

 

De Passionistische spiritualiteit, zoals verwoord door Paulus van het Kruis, plaatst het Kruis in het centrum van waarheid en onderscheiding.[^6] Het Kruis openbaart dat God het leven niet redt door leven te vernietigen, maar door het lijden zelf te dragen.

Deze kruisspiritualiteit corrigeert zowel een harde moraal als een grenzeloze barmhartigheid. Het Kruis stelt een onopgeefbare grens: het leven van de ander mag nooit worden opgeofferd om het eigen lijden te vermijden. Tegelijk opent het Kruis de weg naar verrijzenis en genezing.


Hoofdstuk V – Pro-life en het gekwetste leven

 

In Evangelium Vitae wordt de crisis rond het menselijk leven geduid als een spirituele en antropologische crisis waarin vrijheid losraakt van waarheid.[^7] Abortus wordt benoemd als intrinsiek kwaad, niet om te veroordelen, maar om een fundamentele grens te bewaren.

Tegelijk spreekt Johannes Paulus II met grote pastorale bewogenheid tot wie betrokken was bij abortus en benadrukt hij dat Gods barmhartigheid geen grens kent.[^8]

Pro-life verschijnt hier niet als strijdpunt, maar als weg van genezing. Het gekwetste leven hoeft niet alleen gedragen te worden; het mag worden binnengebracht in een gemeenschap die waarheid en barmhartigheid samenhoudt.


Hoofdstuk VI – Het priesterschap als merkteken van barmhartige liefde

Het priesterschap is geen functionele rol, maar een sacramenteel merkteken van Gods barmhartige liefde.[^9] De priester vertegenwoordigt Christus niet door macht, maar door beschikbaarheid en offer. In deze zin is het priesterschap intrinsiek pro-life: het staat in dienst van het leven dat aan de Kerk is toevertrouwd, in al zijn kwetsbaarheid.

Het priesterlijk handelen vindt zijn norm niet in succes of beheersing, maar in trouw aan het Kruis. De priester is geroepen nabij te zijn bij het gekwetste leven, zonder waarheid te relativeren en zonder mensen te breken.


Conclusie

Vanuit pastoraal-theologisch perspectief tonen de voorafgaande hoofdstukken aan dat pro-life, zorg voor het gekwetste leven en het priesterschap geen afzonderlijke werkvelden zijn, maar elkaar doordringen als uitdrukking van één evangelische houding. Pastoraal handelen verliest zijn geloofwaardigheid wanneer het losraakt van de waarheid over de mens; waarheid verliest haar heilzame kracht wanneer zij niet barmhartig wordt gedragen.

De kerncategorie van deze studie — weerhoudende liefde onder het teken van het Kruis — biedt een vruchtbaar kader voor hedendaagse pastorale theologie. Zij maakt het mogelijk het leven te beschermen zonder te instrumentaliseren, mensen te begeleiden zonder te neutraliseren, en waarheid te verkondigen zonder te breken. In deze zin verschijnt pro-life niet als ethisch specialisme, maar als een constitutieve dimensie van pastorale zorg.

Het priesterschap wordt binnen deze benadering verstaan als sacramenteel merkteken van Gods barmhartige liefde: een teken dat zichtbaar maakt dat het gekwetste leven niet alleen gedragen hoeft te worden. De pastorale theologie die hieruit voortvloeit, is geen strategie, maar een spiritualiteit van aanwezigheid, onderscheiding en trouw.

Deze studie besluit daarom dat een pastoraal-theologische herbronning rond het Kruis noodzakelijk is om in een cultuur van maakbaarheid en kwetsbaarheid het Evangelie van het leven geloofwaardig te blijven verkondigen en belichamen.


Voetnoten

 

  1. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes (7 december 1965), nr. 12: AAS 58 (1966) 1032–1033.
  2. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nr. 16: AAS 58 (1966) 1037–1038.
  3. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nr. 27: AAS 58 (1966) 1047–1048.
  4. Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium (21 november 1964), nr. 58: AAS 57 (1965) 60–61.
  5. Johannes Paulus II, Apostolische Exhortatie Redemptoris Custos (15 augustus 1989), nr. 7–8: AAS 82 (1990) 9–11.
  6. Paulus van het Kruis, Lettere, ed. F. Giorgini (Roma: Curia Generalizia C.P., 1924), passim; vgl. idem, Il Diario Spirituale, ed. G. Zaccaria (Roma: C.P., 1955).
  7. Johannes Paulus II, Encycliek Evangelium Vitae (25 maart 1995), nr. 19–20: AAS 87 (1995) 418–420.
  8. Johannes Paulus II, Evangelium Vitae, nr. 99: AAS 87 (1995) 507–508.
  9. A. Ory, Le prêtre, signe de l’amour miséricordieux de Dieu (Paris: Desclée de Brouwer, 1958), 11–29.
  10. J.A. van der Ven, Practical Theology: An Empirical Approach (Kampen: Kok Pharos, 1998), 45–52.
  11. J. Geudens, Relatie als instrument van genezing (ongepubliceerde scriptie, Kerkrade, ca. 1999), hfst. 1–2.
  12. M. Buber, Ich und Du (Heidelberg: Lambert Schneider, 1958), 15–28.
  13. A. Terruwe, De bevestiging (Baarn: Ambo, 1976), 23–31.
  14. A. Terruwe & C.W. Baars, Psychic Wholeness and Healing (New York: Sheed & Ward, 1972), 64–89.
  15. C.W. Baars, Born Only Once: The Miracle of Affirmation (New York: Alba House, 1974), 101–118.
  16. J. Geudens, Relatie als instrument van genezing, hfst. 3.
  17. Ibid., hfst. 4.
  18. J. Pieper, Über die Liebe (München: Kösel, 1972), 57–66.
  19. J. Geudens, “Het gekwetste leven hoeft niet alleen gedragen te worden,” pastoraal artikel, 29 januari 2026, https://pastoorgeudens.com.
  20. H. Nouwen, The Wounded Healer (New York: Doubleday, 1972), 81–92.
  21. Johannes Paulus II, Evangelium Vitae, nr. 58–63.
  22. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nr. 27.
  23. Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, nr. 58.
  24. Johannes Paulus II, Redemptoris Custos, nr. 7–8.
  25. Paulus van het Kruis, Lettere, ed. F. Giorgini, passim.
  26. H.U. von Balthasar, Mysterium Paschale (Einsiedeln: Johannes Verlag, 1967), 45–72.
  27. Congregatie van de Passionisten, La spiritualità della Croce (Rome, 1980), 12–27.
  28. Johannes Paulus II, Evangelium Vitae, nr. 19–20.
  29. A. Ory, Le prêtre, signe de l’amour miséricordieux de Dieu, 33–47.
  30. Samenvattend: J. Geudens, Relatie als instrument van genezing, slotbeschouwing.

Bibliografie

Baars, Conrad W. Born Only Once: The Miracle of Affirmation. New York: Alba House, 1974.

Balthasar, Hans Urs von. Mysterium Paschale. Einsiedeln: Johannes Verlag, 1967.

Buber, Martin. Ich und Du. Heidelberg: Lambert Schneider, 1958.

Congregatie van de Passionisten. La spiritualità della Croce. Rome, 1980.

Geudens, Jack. Relatie als instrument van genezing. Ongepubliceerde scriptie. Kerkrade, 1999.

———. “Het gekwetste leven hoeft niet alleen gedragen te worden.” Pastoraal artikel, 29 januari 2026. https://pastoorgeudens.com.

Johannes Paulus II. Evangelium Vitae. Encycliek, 25 maart 1995. Acta Apostolicae Sedis 87 (1995).

———. Redemptoris Custos. Apostolische Exhortatie, 15 augustus 1989. Acta Apostolicae Sedis 82 (1990).

Nouwen, Henri J.M. The Wounded Healer. New York: Doubleday, 1972.

Ory, Armand. Le prêtre, signe de l’amour miséricordieux de Dieu. Paris: Desclée de Brouwer, 1958.

Paulus van het Kruis. Lettere. Ed. F. Giorgini. Roma: Curia Generalizia C.P., 1924.

———. Il Diario Spirituale. Ed. G. Zaccaria. Roma: C.P., 1955.

Pieper, Josef. Über die Liebe. München: Kösel, 1972.

Terruwe, Anna. De bevestiging. Baarn: Ambo, 1976.

Terruwe, Anna, en Conrad W. Baars. Psychic Wholeness and Healing. New York: Sheed & Ward, 1972.

Tweede Vaticaans Concilie. Gaudium et Spes. Pastorale Constitutie, 7 december 1965. Acta Apostolicae Sedis 58 (1966).

———. Lumen Gentium. Dogmatische Constitutie, 21 november 1964. Acta Apostolicae Sedis 57 (1965).Van der Ven, Johannes A.Practical Theology: An Empirical Approach. Kampen: Kok Ph